Inleiding
In de regio Zuid-Holland Noord1 zijn duizenden jongeren elke dag onderweg naar school of studie. Maar niet iedereen. Voor sommige jongeren is dat moeilijk. Omdat de opleiding toch tegenviel, of omdat er andere (persoonlijke) problemen spelen waardoor hun schoolwerk wordt beïnvloed. Het gevaar is dat deze jongeren stoppen met school of studie zonder een diploma op zak te hebben.
Daarnaast blijft er een groep jongeren die liever aan het werk gaat dan een vervolgopleiding te volgen. Voor beide groepen is het lastiger om op lange termijn een goede plek op de arbeidsmarkt te vinden.
Scholen, gemeenten en het Doorstroompunt ondersteunen deze jongeren. Met als doel voortijdig schoolverlaten zo veel mogelijk voorkomen. Vaak lukt dit heel goed. De afgelopen jaren heeft onze inzet én intensieve samenwerking gezorgd voor een dalend percentage voortijdig schoolverlaters. Het percentage van 1,91 % voortijdig schoolverlaters in deze regio, is lager dan de belangrijkste benchmarkregio’s en lager dan wat op basis van het nieuwe CBS-model2 van het ministerie van OCW wordt verwacht. Uiteraard hebben wij het voornemen deze dalende trend vast te houden voor de komende jaren. In het nieuwe regionaal programma voortijdig schoolverlaten en duurzaam werk 2026-2029, kunnen we extra maatregelen inzetten om dit doel te bereiken. Met trots presenteren wij ons nieuwe regionaal programma voortijdig schoolverlaten en duurzaam werk 2026-2029, waaraan zo veel mensen in de regio aan hebben meegewerkt. In verband met de leesbaarheid noemen we dit programma in dit document “het programma”.
1 De volgende gemeenten behoren tot het regionale programma/Doorstroompunregio regio Zuid Holland Noord (26): Leiden, Leiderdorp, Zoeterwoude, Oegstgeest, Voorschoten, Kaag en Braassem, Katwijk, Noordwijk, Hillegom, Lisse, Teylingen.
2 Om het budget te kunnen bepalen voor de verschillende regionale programma’s in het land heeft het CBS in opdracht van het ministerie van OCW een model ontwikkeld dat het aandeel voortijdig schoolverlaters kan voorspellen. Belangrijke factoren in dit model zijn: de verstedelijking van het gebied en het percentage minima in de regio.
Doelen van het programma
Het vierjaarlijkse programma heeft twee belangrijke doelen. Allereerst willen we voortijdig schoolverlaten tegengaan. Daarnaast willen we dat zo veel mogelijk jongeren onderwijs volgen of duurzaam werk hebben. Jongeren die geen startkwalificatie (kunnen) halen worden ondersteund om een zo goed mogelijke plek op de arbeidsmarkt te vinden. Bijvoorbeeld via praktijkleren en door werkervaring op te doen. Ons programma sluit aan bij het advies van LPBL om te denken in maatschappelijke effecten (zie pagina 5).
Nieuwe opdracht
Een belangrijk verschil met het programma voortijdig schoolverlaten 20-24, is uitbreiding van de doelgroep. De Wet van school naar duurzaam werk gaat gelden vanaf 1 januari 2026. Deze wet richt zich op betere ondersteuning voor jongeren van 15 tot 27 jaar bij de overstap van school naar werk. De focus ligt daarbij op duurzaam werk voor de lange termijn én schoolverlaten tegengaan. De wet versterkt de samenwerking tussen scholen, gemeenten en Doorstroompunten. Ook breidt de wet de taken uit met loopbaanbegeleiding voor gediplomeerden en de mogelijkheid om jongeren tot 27 jaar terug naar school te leiden of te begeleiden naar (duurzaam) werk. Het doel is om een ketenaanpak rondom ondersteuning te creëren, zodat alle jongeren de juiste begeleiding vinden naar een passende plek op de arbeidsmarkt. Vooral die jongeren met een afstand tot de arbeidsmarkt.
Een programma met maatregelen en projecten
Het programma bestaat uit maatregelen en projecten die een bijdrage leveren aan de doelen in onze regio. Het ministerie van OCW geeft de kaders voor deze maatrelen in de wetgeving en regeling. Zo zijn maatregelen altijd aanvullend op de reguliere wettelijke taken van scholen, gemeenten en het Doorstroompunt. Een ander belangrijk uitgangspunt in de regio is dat de projecten bij voorkeur preventief zijn. Dit past bij het advies van LPBL (zie pagina 5). Daarnaast richt de ondersteuning in de projecten zich op de ontwikkeling van jongeren. Door jongeren actief te betrekken bij de ontwikkeling en uitvoering, vergroten we de kans dat maatregelen daadwerkelijk aansluiten op hun behoeften.
Met een gezamenlijke monitor volgen we continu de effectiviteit en benutten we inzichten om het programma te verbeteren. In het programma worden de afspraken tussen de verschillende samenwerkende partners (scholen, gemeenten en Doorstroompunt) vastgelegd. Het programma kan jaarlijks bijgesteld worden. Dat doen we op basis van analyses van de belangrijkste cijfers, evaluaties van de projecten en de samenwerking en door jongerenparticipatie.
Nieuwe reguliere taken door de nieuwe wet
Scholen, gemeenten en het Doorstroompunt krijgen nieuwe reguliere taken vanaf 2026. Deze taken moeten zorgen voor een doorlopende aanpak van school naar duurzaam werk. De doelgroep daarbij zijn jongeren tot 27 jaar in een kwetsbare positie. Wat is er nieuw?
Voor scholen
Het voortgezet speciaal onderwijs, praktijkonderwijs en het mbo bieden aanvullende loopbaanbegeleiding aan gediplomeerden (De loopbaanbegeleiding wordt aangeboden aan studenten van mbo1, mbo2 en kwetsbare jongeren van mbo3 en mbo4.). Deze loopbaanbegeleiding is er voor jongeren die in een potentieel kwetsbare positie zitten. De begeleiding richt zich op de overstap naar werk. De aanvullende loopbaanbegeleiding vindt kan starten tijdens het onderwijs tot 1 jaar (mbo) of 2 jaar (provso) nadat de opleiding succesvol is afgerond.
Voor gemeenten
Ondersteuning vanuit de gemeente kan als starten als een jongere nog onderwijs volgt. Het gaat om begeleiding naar duurzaam werk of leerwerktrajecten. Daarnaast biedt de gemeente integrale begeleiding als dat nodig is bij problemen op meerdere leefgebieden.
Voor het Doorstroompunt
Het Doorstroompunt ondersteunt jongeren zonder startkwalificatie. Het doel is hen te begeleiden terug naar school, naar werk of naar een combinatie hiervan. De doelgroep wordt nu uitgebreid naar jongeren tot 27 jaar (was 23 jaar).
Verdeeld over zes maatregelen
In de periode 2026-2029 bestaat het programma uit zes maatregelen. Sommige projecten binnen deze maatregelen zijn nieuw, sommige zijn al bekend en succesvol gebleken in de afgelopen periode. Dit nieuwe programma is ingedeeld naar de verschillende fases waarin jongeren zich bevinden: van onderwijs op het vo naar het mbo en vervolgens de stap richting de arbeidsmarkt. Deze fases geven richting aan het programma en sluiten aan bij de oorzaken van voortijdig schoolverlaten én bij de nieuwe opdracht. Bovendien maakt deze indeling het mogelijk de maatregelen makkelijk te verbinden aan de reguliere taken.
De partners in het programma
Dit nieuwe regionale programma is tot stand gekomen door de inzet van scholen, gemeenten, sociaal ontwikkelbedrijven, het Doorstroompunt en andere partijen. We zijn begin 2025 gestart met een grote inspiratiebijeenkomst waarin alle scholen, gemeenten, sociaal ontwikkelbedrijven en het Doorstroompunt input hebben kunnen leveren voor het nieuwe programma. Daarna hebben verschillende werkgroepen het programma per onderdeel uitgewerkt op basis van: alle input, evaluaties met projectleiders en jongeren, extra onderzoek, de data van het RBL en de kaders van OCW. We danken alle mensen die vanuit hun expertise én bevlogenheid een bijdrage hebben geleverd aan de totstandkoming van het nieuwe regionale programma.
Leeswijzer
Een wettelijke voorwaarde aan het regionaal programma is een duidelijke relatie tussen maatregel en regionale analyse. Daarom leest u in hoofdstuk 1 eerst de belangrijkste conclusies uit deze analyse.
De verschillende maatregelen en projecten zijn daar namelijk op gebaseerd. In de hoofdstukken daarna wordt per maatregel beschreven welke projecten we inzetten en welke aanvullende afspraken daarover gemaakt zijn.
De Regiegroep voortijdige schoolverlaten en duurzaam werk
“Denken in maatschappelijk effect
Uit onderzoeken weten we dat de grootste maatschappelijke impact – ofwel de grootste maatschappelijke baat – ontstaat als met een interventie daadwerkelijk voorkomen kan worden dat een jongere maatschappelijke uitvaller wordt. Daarvoor kan het beste worden ingezet op jongeren die op het punt staan om schooluitvaller te worden, of die dat al zijn. Op basis hiervan onderscheiden we vier categorieën van leerlingen/ jongeren, die als het ware ‘trechteren’ naar de groep met het grootste risico op maatschappelijke uitval. Deze indeling ondersteunt de blik van maatschappelijk rendement bij het denken over interventies gericht op het voorkomen van vsv.
- Alle leerlingen;
- Leerlingen, die een verhoogd risico hebben op schooluitval, op basis van statistische kenmerken (kwetsbare leerlingen, bijvoorbeeld verzuim, taalachterstand of een risicovolle thuissituatie);
- Leerlingen die een hoog risico hebben om daadwerkelijk op korte termijn uit te vallen (op basis van individuele kenmerken, gesignaleerd door direct betrokken);
- Jongeren die al schooluitvaller zijn.
De indeling biedt een kader voor de beoordeling van de projecten en de verdeling van de beschikbare middelen. Interventies gericht op categorie 1 (alle leerlingen) zijn in principe ‘basis op orde’ en passen vanuit dat oogpunt niet (meer) in een regionaal programma. Voorbeelden zijn bijvoorbeeld versterking van de beroepskeuze/loopbaanbegeleiding, het digitaal deelnemer dossier en Intergrip. Met name interventies gericht op categorieën 2, 3 en 4 vallen onder de doelstellingen van het (vsv-)programma. Met de volgorde van de categorieën loopt het risico op schooluitval en daarmee samenhangend maatschappelijke uitval op. En, zoals eerder gesteld, hoe meer de interventie zich weet te richten op daadwerkelijke (bijna-)uitvallers, hoe groter het maatschappelijk rendement.”
Bron: Regioanalyse Zuid-Holland Noord (2024, p.26) van LPBL
Belangrijkste conclusies uit onze analyse
De schooluitval in onze regio ligt sinds schooljaar 2017-2018 onder het landelijk gemiddelde. Tijdens elke programmaperiode verzamelen we continu data, zodat we een goed beeld hebben van de situatie in de regio. Op basis daarvan kunnen we aanpassingen doen in het programma, zodat we kunnen inspelen op dat wat op dat moment nodig is om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. Uit het onderzoek van LPBL bleek dat het percentage voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) in onze regio ook onder de percentages van de belangrijkste benchmarkregio’s ligt.
In dit hoofdstuk nemen we u mee langs onze belangrijkste conclusies op basis van die data. Per conclusie leest u ook met welke maatregelen we de conclusies en cijfers positief willen beïnvloeden.
De basis voor onze analyse
De voorbereidingen op het nieuwe regionale programma zijn gebaseerd op cijfers en onderzoeken. Hiervoor worden verschillende soorten cijfers en data gebruikt:
- Regionaal Bureau Leerrecht (RBL) Holland Rijnland analyseert jaarlijks de DUO-cijfers die gaan over voortijdig schoolverlaten.
- Deze cijfers worden aangevuld met eigen cijfers (met betrekking tot vsv’ers en de jkp-groep). Consulenten leerrecht spreken met schoolverlaters en vragen hen naar de reden van schooluitval, dagbesteding en de wensen voor begeleiding.
- Op basis van deze analyses kunnen zo nodig jaarlijks aanpassingen gedaan worden in het regionale vsv-programma.
- In voorbereiding op het nieuwe regionale programma heeft LPBL extra onderzoek gedaan. LBPL heeft daarvoor de DUO-data aangevuld met data van onder andere het CBS. De cijfers zijn terug te vinden op de website via: Programma VSV – Holland Rijnland.
- Het onderzoek van LPBL heeft geleid tot extra onderzoek door het RBL én de (soms alweer verouderde) data is vergeleken met de nieuwste vsv-cijfers.
- Sinds enkele jaren is er ook een landelijk dashboard met daarin veel data over voortijdig schoolverlaten en jongeren in een kwetsbare positie. Dit zijn de dashboards vsv en JKP. Het Dashboard van de NEET doelgroep is november 2025 nog niet gereed.
- In voorbereiding op de nieuwe wetgeving zijn vanaf 2021 enkele pilots gestart (bijvoorbeeld voor 23-27-jarigen of voor gediplomeerden). De uitkomsten van deze pilots leverde veel informatie op.
In de regio is het afgelopen jaar alle bovenstaande informatie, data en aanbevelingen uitgebreid besproken met en getoetst bij vertegenwoordigers van scholen, gemeenten en het Doorstroompunt.
1. Overadvisering is een groot probleem in onze regio
Een hoger schooladvies leidt tot problemen en uitval in het voortgezet onderwijs (vo)
Leerlingen in het primair onderwijs in Zuid-Holland Noord krijgen een schooladvies dat hoger is dan in benchmarkregio’s. Ook ligt het schooladvies hoger dan het Nederlands gemiddelde. Leerlingen die op hun tenen moeten lopen, vallen eerder uit. Zeker als er zich ook andere problemen (bijvoorbeeld thuis) voordoen. De overadvisering hebben we geagendeerd bij de samenwerkingsverbanden van scholen en de gemeentelijke bestuurders. Zij kunnen deze zorg agenderen op andere overleggen waar het onderwijs aan verbonden is.
Het probleem doet zich voor op alle schoolniveaus
Opvallend is dat de overadvisering zich op alle niveaus voordoet. Zo is het aandeel leerlingen dat naar praktijkonderwijs (pro) of voortgezet speciaal onderwijs (vso) gaat bijvoorbeeld lager dan in benchmarkregio’s. En ook het aandeel (v)mbo is in de regio duidelijk lager dan de benchmarkregio en het landelijk gemiddelde. Minder leerlingen in de regio volgen dus de beroepsgerichte route.
Jongeren maken pas laat een overstap als het niet lukt
Blijkt een jongere niet-passend onderwijs te volgen? Dan is overstappen soms lastig. Het gewenste niveau is niet altijd beschikbaar binnen dezelfde school en een schoolwissel wordt vaak laat ingezet. Soms is er geen passend onderwijs beschikbaar, of pas na een tijd.
De projecten uit deze maatregelen sluiten hierop aan:
- Maatregel 1: Ondersteunen op het vo
- Maatregel 2: Overstappen naar het mbo
- Maatregel 4: Schoolverlaten
2. Schooluitval komt door verschillende factoren
Dit is de top 3 redenen voor schooluitval in vsv-regio Zuid-Holland Noord
- Ongeveer 29% van alle nieuwe schoolverlaters (Bron: vsv-analyse schooljaar 2023-2024 ) valt uit door persoonlijke problematiek (Bron: Regionaal Bureau Leerrecht) . Persoonlijke problematiek omvat onder andere psychische problemen of gedragsproblemen, gezinsproblematiek en financiële problemen.
- Ongeveer 27% van de uitval komt door een verkeerde studiekeuze.
- Ongeveer 21% van de jongeren geeft aan liever te willen werken.
Vaak komt schooluitval door een combinatie van factoren
Factoren voor schooluitval staan vaak niet op zichzelf. Bij 91% van de jongeren (Bron: Onderzoek ‘Voortijdig schoolverlaters aan het werk’ (2025) van Regioplan, in opdracht van Ingrado) blijkt het om een combinatie te gaan van school- en student gerelateerde factoren. Belangrijke schoolgerelateerde factoren die zorgen voor schooluitval zijn volgens dit onderzoek:
- De opleiding voldoet niet aan de verwachtingen.
- De opleiding is te schools.
- De opleiding biedt onvoldoende ondersteuning.
Student gerelateerde factoren zijn:
- De jongere heeft psychische problemen of gedragsproblemen.
- Er spelen problemen in de sociale omgeving.
- De jongere weet niet goed welke richting op te gaan.
Arbeidsmarktgerelateerde factoren spelen nagenoeg geen rol volgens dit onderzoek. Voortijdig schoolverlaters vinden wel makkelijk een baan. Financiële problemen kunnen een factor zijn bij schoolverlaten. Volgens onderzoek is de financiële gezondheid van jongvolwassenen in 2024 aanzienlijk achteruitgegaan. (Bron: Financiële gezondheid van Nederlandse huishoudens in 2024, Deloitte).
Een groot deel van de vsv’ers gaat buiten de regio naar school
In onze regio is er sprake van een toenemend aantal vsv’ers in sommige gemeenten aan de randen van de regio. Terwijl er gemiddeld een afname te zien is. Op basis van de voorlopige vsv-cijfers 2023-2024, gaat in totaal 36% van de vsv’ers buiten de regio naar school. Ook zien we vanuit het NOVA-college een toenemende uitval. De jongeren die buiten de regio naar school gaan en risico hebben op voortijdig schoolverlaten, kunnen gebruikmaken van de maatregelen van het vsv-programma in de andere regio. De Hulp-Op-School-programma’s (HOS-programma’s) zijn echter minder uitgebreid dan in onze regio. Passende en snelle hulp in de eigen regio is dan soms nodig, zeker als de school verder weg is. Hoewel deze jongeren formeel nog onderwijs volgen, dreigen zij vsv’er te worden. Deze jongeren vallen formeel onder de verantwoordelijkheid van hun onderwijsinstelling, maar in de praktijk blijkt dat zij onvoldoende bereikt worden door bestaande ondersteuningsstructuren van school en de gemeente. Dit komt door afstand waardoor de jongere zelf uit beeld raakt. Juist deze groep is kwetsbaar: zij kampen vaak met persoonlijke, sociale of financiële problematiek die het volgen van onderwijs belemmert. Denk aan psychische klachten, instabiele thuissituaties, schulden of een combinatie daarvan. Studenten komen in aanmerking voor extra ondersteuning onze regio op voordracht van het Doorstroompunt.
De projecten uit deze maatregelen sluiten hierop aan:
- Maatregel 1: Ondersteunen op het vo
- Maatregel 3: Ondersteunen het mbo
- Maatregel 4: Schoolverlaten
3. Uitval bij de Internationale Schakel Klassen (ISK) is flink gestegen
Op de ISK-scholen in de regio is het percentage vsv’ers het hoogst
Uit de vsv-analyse van schooljaar 2023-2024 blijkt dat het aantal vsv’ers vanuit beide ISK-scholen het hoogst is van alle vo-scholen. Dit is verklaarbaar door de situatie van veel ISK-leerlingen:
- Multi-problematiek is eerder regel dan uitzondering: taalachterstanden, psychische problematiek, armoede, onveilige thuissituaties en gebrek aan ouderbetrokkenheid.
- Onderwijsachterstand en instabiliteit: veroorzaakt door veel verhuizingen (AZC’s), gebroken schoolloopbanen en/of analfabetisme in het land van herkomst.
- Ontbrekend passend vervolgonderwijs voor nieuwkomers die op de ISK geen stevige basis hebben kunnen opbouwen (te weinig tijd, grote achterstand).
“Om een betere overgang te creëren zullen de ISK en het mbo gemeenschappelijke doelen moeten formuleren, zodat het talent van de leerling wordt benut en daarmee op termijn ook een succesvolle participatie in de samenleving wordt gestimuleerd.”
( Bron: In gesprek over doorstroom van ISK naar mbo, LOWAN.nl)
De uitval vanuit de ISK draagt bij aan een toename van het aantal vsv’ers in het vo
Het aandeel voortijdig schoolverlaters (vsv’ers) in het vo ligt in onze regio procentueel iets lager dan landelijk. Wel zien we dat er sprake is van een lichte stijging ten opzichte van schooljaar 2022-2023. Ook in absolute aantallen. Dit waren er 131 in schooljaar 2023-2024. De toename van het aantal vsv’ers komt met name door uitval vanuit ISK-onderwijs. We zien dat vooral de uitval in het vmbo duidelijk hoger is. Waarschijnlijk door het relatief hoge percentage nieuwkomers in de regio, die meestal (90%) in de cijfers gepresenteerd worden als vmbo-onderbouw (ISK).
De projecten uit deze maatregelen sluiten hierop aan:
- Maatregel 2: Overstappen naar het mbo
- Maatregel 5: Duurzaam werk
Overadvisering werkt door op het mbo
Door overadvisering ontstaan in het vo problemen die terugkomen in het mbo
Voor jongeren die in het vo al op hun tenen lopen, is de stap naar het mbo extra groot. De toename van vo-ongediplomeerden in de instroom is opvallend. Inmiddels heeft bijna een kwart van de vo-leerlingen die instromen bij het mbo geen diploma. De grootste groep hiervan stroomt door naar de entree-opleiding (mbo 1).
Hogere uitval bij de entree-opleiding dan in de benchmark
De uitval bij de entree-opleiding laat een hoger percentage zien dan in de benchmark (33% ten opzichte van 24% in de benchmark van 2022-2023, Bron: Regioanalyse Zuid-Holland Noord (2024) van LPBL, in opdracht van vsv-programma Zuid-Holland Noord) . Wel gaat het om een relatief beperkt aantal ten opzichte van het totaal aantal vsv’ers. Over het algemeen heeft deze groep leerlingen vaak extra aandacht nodig. Ze vallen uit in het vo, maar weten (nog) niet goed wat ze willen en hebben vaker te maken met persoonlijke problematiek of gezinsproblematiek. Daarbij komt dat er vaak sprake is van weinig motivatie in combinatie met een gebrek aan schoolse vaardigheden.
Er is een opvallend grote groep uitvallers op mbo-niveau 3 en 4
Het percentage (iets meer dan 4%, Bron: Regioanalyse Zuid-Holland Noord (2024) van LPBL, in opdracht van vsv-programma Zuid-Holland Noord) is vergelijkbaar met de benchmark, maar het gaat hier om een groot a11 aantal studenten: in totaal gaat het om 243 studenten in schooljaar 2023-2024. Het is van belang om deze groep niet uit het oog te verliezen. Zij kunnen namelijk doorstromen naar de nieuwe doelgroep binnen de NEET-jongeren. De opvallend grote groep uitvallers op niveau 3 en 4 is ook de belangrijkste reden waarom wij bij HOS in programmalijn 3 ondersteuning bieden op alle niveaus van het mbo. De nieuwe wet legt de focus op pro/vso en mbo 1 en 2. Echter in de nieuwe wet is ook het voorkomen van voortijdig schoolverlaten heel belangrijk. Als regio onderschrijven we dit doel, door ook in te zetten op de andere niveaus van het mbo. Ook omdat er vanuit deze niveaus onder anderen jongeren dreigen uit te vallen die oorspronkelijk vanuit het vso komen.
De projecten uit deze maatregelen sluiten hierop aan:
- Maatregel 3: Ondersteunen op het mbo
- Maatregel 4: Schoolverlaten
5. NEET-jongeren: een nieuwe doelgroep in het programma
De nieuwe doelgroep bestaat uit ongeveer 1.530 jongeren (Bron: CBS 2022)
NEET-jongeren zijn jongeren tussen de 15 en 27 jaar die geen onderwijs of opleiding volgen en geen werk hebben. Het gaat in onze regio om 7,2% van de jongeren. Ongeveer een derde van deze groep is in beeld bij Werk & Inkomen doordat ze een uitkering hebben. De overige groep telt ongeveer 3.500 jongeren. Tot 23 jaar zijn deze jongeren al in beeld bij de scholen en het Regionaal Bureau
Leerrecht/het Doorstroompunt. De jongeren tussen 23 en 27 jaar zijn een nieuwe doelgroep in het programma. Meer dan de helft van deze 1.530 jongeren heeft geen startkwalificatie. Dit zijn ongeveer 800 jongeren. En daarvan heeft 10% behoefte om begeleid te worden.
De nieuwe doelgroep is geen homogene doelgroep
Een deel van de jongeren lukt het inderdaad niet om werk te vinden. Daarnaast zijn er jongeren die
niet deelnemen aan onderwijs of op de arbeidsmarkt, omdat zij kampen met een chronische ziekte of beperking. Een andere reden is dat zij zorgtaken hebben. Anderen bevinden zich tussen twee opleidingen in of hebben net een opleiding afgerond.
De projecten uit deze maatregelen sluiten hierop aan:
- Maatregel 4: Schoolverlaten
- Maatregel 5: Duurzaam werk
Inkijkje bij de doelgroep: waarom lukt duurzaam werk niet?
Binnen de doelgroep zien we een aantal redenen waarom jongeren geen duurzaam werk kunnen vinden of dat niet kunnen behouden. Uiteraard spelen daarnaast ook verschillende oorzaken die te maken hebben met de flexibele, krappe en niet altijd inclusieve arbeidsmarkt.
- De jongere is (nog) onvoldoende zelfredzaam
Bijvoorbeeld:- Jongeren die zijn nog jong zijn in leeftijd en/of gedrag.
- Jongeren die onvoldoende kennis en begrip hebben van de Nederlandse werkcultuur.
- De jongere heeft te maken met psychische problemen of multi-problematiek
- De situatie van de jongere sluit minder goed aan op het banenaanbod
Bijvoorbeeld:- Jongeren met een taalachterstand (ook onvoldoende Engels).
- Jongeren die het plafond hebben bereikt op school: terug naar school is geen optie, maar kennis en vaardigheden zijn soms nog onvoldoende ontwikkeld voor behoud van werk.
- Jongeren die geen passende BBL-leer/werkplek kunnen vinden.
- De studiekeuze sluit niet aan bij het gewenst beroep.
Doordat deze jongeren eigenlijk een ander beroep ambiëren, komen ze niet verder. De jobhoppers zijn hier een voorbeeld van. - In de praktijk blijkt het lastig om zonder voldoende opleiding werk vast te houden. Sommige jongeren willen liever werken. Duurzaam werk blijkt toch vaak lastig. De doelgroep bestaat bijvoorbeeld uit:
- Jongeren die beter gedijen in de praktijk.
- Jongeren die ‘klaar zijn’ met school. Vaak gaat het dan om een combinatie van factoren. Bijvoorbeeld: problematiek, ontevredenheid over de onderwijskwaliteit, zich niet gezien voelen op school, niet verder kunnen op het mbo zonder (taal)ondersteuning.
- De jongere kiest voor alternatieve manieren om geld te verdienen.
Vaak gaat het dan om crimineel gedrag.
Meer zicht op de NEET-jongeren zonder uitkering
Deze doelgroep kan in drie subdoelgroepen verdeeld worden:
- 15- tot 18-jarigen
Deze groep bestaat uit ongeveer:- 100 vsv’ers (al in beeld bij RBL/Doorstroompunt);
- 100 jongeren met een startkwalificatie.
- 18- tot 23-jarigen
Deze groep bestaat uit ongeveer:- 800 jongeren zonder startkwalificatie (al in beeld bij RBL/Doorstroompunt);
- 80 tot 100 jongeren van pro, vso of JKP (al in beeld bij RBL/Doorstroompunt);
- 800 jongeren met startkwalificatie.
- 23- tot 27-jarigen
Deze groep bestaat uit ongeveer:- 800 jongeren zonder startkwalificatie (nieuwe doelgroep, deels al bekend bij RBL/Doorstroompunt door pilots);
- 730 jongeren met startkwalificatie.
Maatregel 1: Ondersteunen op het voortgezet onderwijs
Scholen en gemeenten in onze regio werken samen om schooluitval te voorkomen. Ook bieden ze zelf al extra ondersteuning aan jongeren in het voortgezet onderwijs. Maatregel 1 zet in op aanvullende ondersteuning. Vooral op reguliere scholen waar geen inzet is vanuit het passend onderwijs of jeugdhulp op school (Vanuit de gemeentes wordt al extra jeugdhulp ingezet op scholen in het voortgezet speciaal onderwijs
(jeugdhulp op school). Vandaar dat deze maatregel specifiek gericht is op een aantal reguliere vo scholen
en de ISK’s.). Het gaat bij de aanvullende ondersteuning om preventieve ondersteuning die erop gericht is om uitval uit het onderwijs te voorkomen. Een voorwaarde is dat scholen zelf een stevig basisaanbod hebben.
Project binnen deze maatregel
Project 1: Ondersteunen Hulp op School (HOS)
Dit project uit het vorige vsv-programma is de afgelopen jaren uitvoerig geëvalueerd en wordt op een geheel andere wijze ingezet dan bij de start van de vorige programmaperiode. Belangrijkste aanpassingen zijn: alleen inzet op een beperkt aantal scholen, de grotere verantwoordelijkheid van de scholen zelf en het stimuleren van de inzet in specifieke klassen. HOS biedt vroegtijdig aanvullende ondersteuning aan leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte. En dit voorkomt schooluitval op de langere termijn, omdat ze preventief en laagdrempelig de hulp krijgen die nodig is. HOS wordt in uiteenlopende vormen ingezet: van individuele coachingstrajecten gericht op kwetsbare jongeren die dreigen uit te vallen tot volledige inzet in een structuurklas.
HOS bestaat uit budget voor extra begeleiding op school. Scholen vragen dit budget aan en financieren 50% van de maatregel zelf (financieel of door eigen inzet). Ook organiseren ze de extra begeleiding zelf op hun eigen locatie. Ze kunnen kiezen uit een aantal vooraf geselecteerde zorgaanbieders. Het gaat om professionals met een specifieke expertise die nog niet structureel binnen het onderwijsteam aanwezig is. Doordat deze gespecialiseerde professionals fysiek aanwezig zijn op school kunnen zij vroegtijdig signaleren en direct ingrijpen. Uit evaluaties blijkt dat leerlingen zich gezien en gehoord voelen als de verschillende professionals op school aanwezig zijn. Dit heeft een positieve invloed om hun welbevinden.
Op scholen met relatief hoge vsv-cijfers
HOS wordt ingezet op maximaal 10 scholen waar de vsv-cijfers hoger zijn in vergelijking met andere scholen. De werkgroep ondersteunen op het vo bepaalt samen met de stuurgroep welke scholen in aanmerking komen op basis van criteria en vsv-cijfers. Het RBL maakt vooraf een vsv-analyse, waaruit blijkt op welke scholen een verhoogd risico is op voortijdig schoolverlaten. De criteria en vsv-cijfers zijn leidend in de keuze die gemaakt wordt. Daarnaast is participatie van de scholen van belang. De scholen maken vooraf een plan waaruit blijkt welke inzet zij willen doen en wat de beoogde resultaten zijn. In dit plan beschrijven scholen hoe zij de inzet specifiek richten op leerlingen met een verhoogd risico op voortijdig schoolverlaten binnen hun school. Zo borgen we dat de maatregel daadwerkelijk ten goede komt aan de jongeren waar de risico’s het grootst zijn.
Voorwaarde om deel te nemen zijn verder
- Deelname aan evaluaties: we willen graag blijven monitoren welke specifieke vormen van inzet of handelen bijdragen aan het succes van de HOS-maatregel. We hebben de wens dat HOS steeds meer ontwikkelt richting een groepsgerichte aanpak, gericht op doelgroepen van leerlingen met vergelijkbare ondersteuningsbehoeften.
- Bijdrage aan een lerend netwerk: we leren graag met en van elkaar. Zodra duidelijk is welke vormen van inzet of handelen het meest effect hebben, willen we bespreken hoe we die op lange termijn kunnen toepassen. Binnen de eigen school, maar ook bij andere scholen binnen het lerend netwerk. In maatregel 6 schenken we aandacht aan het lerende netwerk.
Doelgroep
Leerlingen die dreigen uit te vallen op de aangewezen scholen met relatief hoge vsv-cijfers. Uit onze regionale analyse blijkt dat het risico op voortijdig schoolverlaten voorkomt binnen alle onderwijssoorten in het vo. Dat bevestigt dat inzet op meerdere scholen nodig is. Denk aan de volgende doelgroepen
- Leerlingen op vo-scholen met extra ondersteuningsbehoefte op persoonlijk gebied
Deze groep loopt een verhoogd risico op voortijdig schoolverlaten. Het gaat om problemen waardoor de leerlingen niet tot leren komen en waarvoor onvoldoende expertise aanwezig is in de school om passende ondersteuning te bieden. HOS richt zich op vroege signalering en directe ondersteuning. Als er zwaardere of complexere problematiek speelt, verwijzen we door naar de reguliere jeugdhulp van de gemeente. Met dit project willen we dat graag vóór zijn. - Nieuwkomers en ISK-leerlingen
Bij deze doelgroep zijn de vsv-cijfers structureel hoog. HOS biedt deze leerlingen gerichte ondersteuning op meerdere leefgebieden. Met als doel uitval te voorkomen en aansluiting op vervolgonderwijs te bevorderen.
Doel
- Risico op voortijdig schoolverlaten verkleinen op vo-scholen in de regio Duin- en Bollenstreek en Leiden.
- Expertise bevorderen in de scholen zelf en het versterken van de pedagogische basis.
- Door overleg te organiseren tussen de verschillende scholen wordt hun deskundigheid uitgewisseld en bevorderd. De opgedane kennis en ervaringen worden gedeeld binnen een lerend netwerk, zodat succesvolle aanpakken kunnen worden versterkt en op termijn breder worden toegepast.
Wat gebeurt er al regulier?
Scholen en gemeenten in onze regio werken intensief samen om schooluitval te voorkomen.
- De verschillende scholen van de samenwerkingsverbanden bieden extra ondersteuning vanuit de zorgstructuur op school.
- Op die manier bieden de scholen van de samenwerkingsverbanden zo veel mogelijk passend onderwijs.
- Regionaal Bureau Leerrecht (RBL) Holland Rijnland biedt ondersteuning vanuit de taken rond de leerplicht voor 11 gemeenten in de regio. Met deze gemeenten is de dienstverlening van het RBL vastgelegd in het beleidsplan. Alle scholen hebben een vaste contactpersoon voor verzuim én een vaste contactpersoon voor thuiszitters. In onze regio is ook aanvullende inzet die gericht is op geoorloofd verzuim.
- Voor thuiszitters in onze regio zijn al specifieke afspraken gemaakt in een Thuiszittersaanpak (reguliere taak samenwerkingsverband, gemeentes en Doorstroompunt). Volgens een zogenaamde afsprakenkaart werken alle partijen samen. Deze afsprakenkaart is bestuurlijk vastgelegd.
- Vanuit de gemeentes is via de jeugdzorg en de Wmo ondersteuning mogelijk voor jongeren die in de regio wonen.
- Vanuit de gemeentes wordt daarnaast extra jeugdhulp ingezet op scholen in het voortgezet speciaal onderwijs (jeugdhulp op school).
Wat maakt deze maatregel aanvullend op reguliere taken?
Juist om schooluitval te voorkomen is hulp in een vroeger stadium noodzakelijk. Het gaat bij de aanvullende ondersteuning om vroegtijdige en preventieve ondersteuning aan (groepen) leerlingen met psychische en persoonlijke problematiek. De inzet vindt plaats bij eerdere signalen op school, zodat leerlingen tijdig extra hulp krijgen vóórdat problemen leiden tot uitval.
Door al in een vroeg stadium (gemakkelijk) extra ondersteuning te regelen voorkomen we schooluitval. De specialistische kennis die wordt ingezet draagt ook bij aan deskundigheidsbevordering van reguliere professionals binnen de school. De expertise die door deze maatregel wordt ingebracht, versterkt de kennis en handelingsvaardigheid van het schoolteam zelf. Daardoor wordt de ondersteuning op termijn beter geborgd binnen de school.
- Met deze maatregel kan de school specifieke deskundigheid inzetten die (normaal gesproken) nog niet aanwezig is binnen de school. Het gaat om specifieke deskundigheid die niet vanuit de middelen voor passend en inclusief onderwijs geboden kan worden.
- Een voorwaarde bij de maatregel is dat de reguliere zorgstructuur in de school op orde is. Dit betekent bijvoorbeeld dat de zorgcoördinator in casuïstiek overleg met de jeugdteams en het Doorstroompunt leerlingen bespreekt.
- Als er sprake is van zwaardere of complexere problematiek en behandeling nodig is, dan wordt doorverwezen naar reguliere jeugdhulp van gemeentes. Maar dit willen we graag voor zijn.
Maatregel 2: Overstappen naar het mbo
Als jongeren naar het mbo gaan, maar eigenlijk nog vaardigheden missen of onvoldoende zelfredzaam zijn, dan is de kans groter dat ze het mbo verlaten zonder startkwalificatie. Deze maatregel is erop gericht om jongeren goed voor te bereiden op het mbo en hun zelfredzaamheid te vergroten. Een ander belangrijk doel is om hen te begeleiden tijdens de overstap zelf én de eerste periode op het mbo. Met deze maatregel bereiden we jongeren goed voor op het mbo én helpen we bij een goede overstap. Daarnaast bieden we met deze maatregel ondersteuning om de zelfredzaamheid te vergroten. De doelgroep bij deze maatregel bestaat uit jongeren die overstappen naar het mbo, maar kans hebben om uit te vallen in de periode rondom die overstap.
Projecten binnen deze maatregel
Project 1: Overstapcoaches
Veel leerlingen in een kwetsbare positie lukt het niet om zonder extra steun en begeleiding een passende mbo-opleiding te vinden en/of een goede start te maken in het mbo. Het gaat vaak om jongeren uit het vso, praktijkonderwijs, OPDC De Delta en ISK’s, maar ook om kwetsbare leerlingen uit het vmbo of havo. De Overstapcoaches helpen jongeren in een kwetsbare positie persoonlijk en praktisch tijdens een cruciale overgangsfase in hun schoolloopbaan. De scholen signaleren vroegtijdig wie die moeizame kiezers en kwetsbare overstappers in het v(s)o zijn. De Overstapcoaches begeleiden deze jongeren vervolgens intensief naar het mbo en bij de start op het mbo. Hierbij wordt ingezet op het vergroten van de zelfredzaamheid.
- Sommige leerlingen zijn onvoldoende in staat om tot een goede studiekeuze te komen. Vooral als er thuis minder ondersteuning beschikbaar is of wanneer er ook andere zaken spelen.
- De overstap van een kleine setting in het v(s)o naar het grote mbo is voor sommige leerlingen heel groot.
- Binnen de v(s)o-scholen worden leerlingen begeleid naar hun vervolgopleiding. Bij de meeste leerlingen gaat dit goed. Er zijn echter ook leerlingen binnen de reguliere ondersteuningsstructuur van school, die de overstap van het vo naar het mbo niet kunnen maken zonder extra begeleiding.
De Overstapcoaches bevorderen de zelfstandigheid van de jongeren. Door hen te helpen een goede studiekeuze te maken, persoonlijk te begeleiden en te ondersteunen op een praktische manier. Praktische ondersteuning bestaat bijvoorbeeld uit meegaan naar een open dag. De ondersteuning is op maat en afhankelijk van de persoonlijke situatie. Deze ondersteuning zorgt op de langere termijn voor een beter maatschappelijk perspectief voor deze jongeren.
Doelgroepen
- Leerlingen in het praktijkonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs (op voordracht van een decaan).
- Jongeren in een kwetsbare positie die vanuit het vmbo of de havo overstappen naar het mbo (op voordracht van een decaan).
Doel
- Maken van een goede studiekeuze.
- Ondersteunen bij de overstap.
- Vergroten van de zelfredzaamheid.
- Nazorg na start op het mbo.
Project 2: overstap- en nazorgcoaches voor ISK-leerlingen en nieuwkomers
We willen graag overstap/nazorgcoaches aanstellen met een specifieke focus op een doelgroep met hoge schooluitval: de ISK-leerlingen en nieuwkomers.
Deze overstap- en nazorgcoaches gaan voor de ISK-leerlingen net een stap verder dan de reguliere Overstapcoaches. Ze ondersteunen jongeren bij hun overgang naar het mbo of andere vervolgstappen, waarbij ze ook kunnen helpen bij studiekeuzevragen wanneer dat nodig is. Daarnaast blijven ze in het eerste studiejaar betrokken, met begeleiding op een breed scala aan vragen en uitdagingen die jongeren in deze periode tegenkomen.
Doelgroepen
- Alle ISK-jongeren waar de mentoren of decanen ISK zorgen over hebben.
- Nieuwkomers (vanaf 16 jaar) zonder afgeronde ISK of onderwijsverleden.
Doel
- Ondersteunen bij de overstap.
- Maken van een goede studiekeuze.
- Vergroten van de zelfredzaamheid.
- Vergroten van de competenties die nodig zijn op het mbo.
Project 3: M-jaar voor een duurzame overstap
Sommige leerlingen hebben net iets meer tijd en begeleiding nodig voordat ze succesvol kunnen starten op het mbo. Dit zijn vooral jongeren die nog onvoldoende zelfstandig zijn om de overstap naar het mbo te maken. Zij twijfelen ook nog over hun studiekeuze. Voor hen is er het M-jaar.
Tijdens het M-jaar krijgen de jongeren begeleiding bij hun overstap naar het mbo. Ze beginnen op het mbo zonder al een eindrichting te hoeven kiezen. In de periode van een jaar ontdekken jongeren meer over zichzelf en hun gewenste ontwikkeling.
Doelgroepen
- Leerlingen die toelaatbaar zijn op mbo-niveau 4 én nog niet klaar zijn om een overstap te maken naar een reguliere mbo-klas.
- Jongeren in een kwetsbare positie die baat hebben bij de persoonlijke aanpak, de kleine klas en de vaste docenten.
Doel
- Versterken van zelfinzicht en vaardigheden.
- Vasthouden en versterken van motivatie om verder te leren.
- Behalen van een startkwalificatie.
- Maken van een goede vervolgkeuze.
Project 4: M-halfjaar voor een duurzame overstap
(Dit project start waarschijnlijk vanaf 2028. Het komende jaar (2026) bekijken we of de uitvalcijfers een verdere trend laten zien in de uitval uit havo. Op basis daarvan, in combinatie met budgettaire mogelijkheden, wordt het M-halfjaar ontwikkeld.)
Havoleerlingen die uitvallen hoeven niet te wachten tot september om in te kunnen stromen op het mbo. Door het nieuwe M-halȠaar maken zij een snelle overstap en wordt de motivatie om te leren en te ontwikkelen beter vastgehouden.
Tijdens het M-halȠaar krijgen de jongeren begeleiding bij hun overstap naar het mbo. Ze beginnen op het mbo zonder al een eindrichting te hoeven kiezen. In de periode van een half jaar ontdekken jongeren meer over zichzelf en hun gewenste ontwikkeling. Zo kunnen ze een bewuste keuze maken voor een vervolgopleiding.
Doelgroepen
- Havoleerlingen zonder diploma, met overgangsbewijs naar 4 havo.
Doel
- Vasthouden en versterken van motivatie om verder te leren.
- Versterken van zelfinzicht en vaardigheden.
- Maken van een goede studiekeuze.
Thema’s om afspraken over te maken
In de wet is het een voorwaarde om afspraken op te nemen over de overgang van vso naar mbo. Om de overstap of opstap naar het mbo voor alle jongeren zo succesvol mogelijk te maken, zijn we afhankelijk van andere stakeholders binnen de regio. Daarom maken we ook aanvullende afspraken. In de gesprekken sluiten we aan bij bestaande convenanten en afspraken. De aanvullende afspraken gaan over deze thema’s:
- Warme overdracht: Bij alle projecten binnen deze maatregel is warme overdracht een belangrijke voorwaarde.
- Oriëntatie op vervolgopleiding op het mbo: In de oriëntatiefase spelen activiteiten rondom loopbaanoriëntatie en -begeleiding een belangrijke rol. Zo worden bewuste studiekeuzes bevorderd en daardoor de oorzaak van schooluitval aangepakt.
- De juiste vaardigheden voor het mbo: Jongeren in een kwetsbare positie moeten de overstap kunnen maken naar het mbo met de juiste vaardigheden. De oplossingen voor het gebrek aan schoolse vaardigheden liggen niet bij het vsv-programma.
Wat gebeurt er regulier?
- De leerlingen worden op school begeleid bij hun studiekeuze.
- De mbo-scholen organiseren diverse voorlichtingsmomenten.Warme overdracht: binnen de regio zijn er reguliere afspraken over de warme overdracht van de overstappende v(s)o-leerlingen. MboRijnland heeft een convenant met 15 pro- en vso-scholen. Ook zijn er in onze regio samenwerkingsafspraken tussen vo-scholen en het mbo. Binnen de regio werken ISK-scholen, mbo-scholen en gemeenten werken samen om de overgang tussen ISK naar het mbo te verbeteren. MboRijnland en de ISK’s hebben deze afspraken formeel vastgelegd.
- Aandacht voor passende stageplekken en leerbanen: om voldoende en passende plekken te garanderen, werkt mboRijnland structureel samen met SBB, gemeenten en het regionale bedrijfsleven. In deze samenwerking worden erkende leerbedrijven ondersteund bij het aanbieden van leerwerkplekken en worden gezamenlijk nieuwe trajecten ontwikkeld. Zo wordt de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt versterkt en de kans op voortijdig schoolverlaten verder verkleind. Een voorbeeld waar onderwijs, ondernemers en overheid samenwerken is het CIV Leven Lang Flex.
- Monitoring rondom de overstap: leerlingen worden in het laatste jaar op het vo gevolgd door het vo, het Doorstroompunt én het mbo. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van Intergrip. Er zijn uitgebreide samenwerkingsafspraken vastgelegd om deze overstap te begeleiden. Hierin staat welke taken de samenwerkende partijen hebben op welk moment (vo-scholen, mbo, Doorstroompunt). De samenwerkende partijen monitoren de overstap op meerdere momenten in het jaar in een werkgroep. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘mijlpalendocument’ van deze werkgroep.
Wat maakt deze maatregel aanvullend op reguliere taken?
Deze maatregel biedt extra inzet die binnen de reguliere taken niet verwacht kan worden van het vo en het mbo door de aard en intensiteit van de ondersteuningsbehoefte van de jongere. Deze extra inzet is wel zeer waardevol en versterkt de doorlopende lijn van vo naar mbo. Ook zorgt de maatregel voor meer verbinding tussen alle partijen en meer focus op verbetering en deskundigheidsbevordering. De maatregel is bewezen effectief gebleken.
Maatregel 3: Ondersteunen op het mbo
Scholen en gemeenten bieden ondersteuning aan jongeren binnen en rondom de school. Er is een groep jongeren die extra hulp nodig heeft. Deze jongeren hebben te maken met belemmeringen die het leren en het succesvol afronden van een opleiding of ander traject in de weg staan. Denk aan psychische problematiek, instabiele thuissituaties, financiële zorgen, taalproblemen of een combinatie hiervan (multi-problematiek). Voor deze groep is specifieke expertise nodig, aanvullend op de reguliere ondersteuning binnen en rondom de school.
Maatregel 3 richt zich op jongeren in het mbo die kortdurende, laagdrempelige ondersteuning nodig hebben. Deze ondersteuning maakt het voor studenten in een kwetsbare positie mogelijk om tot leren te komen, ongeacht hun achtergrond of persoonlijk uitdagingen. Het uitgangspunt is steeds dat de individuele ondersteuningsbehoefte van de jongere centraal staat. Al kan de ondersteuning zowel individueel als collectief worden vormgegeven. Hiervoor wordt aangesloten bij de ondersteuningsstructuren van de deelnemende scholen.
Met deze maatregel wordt ingezet op het versterken van hulp en begeleiding op school en het voorkomen van financiële uitvalrisico’s. We verkleinen de kans op uitval en vergroten het perspectief op een succesvolle schoolloopbaan of ander traject waarin jongeren duurzaam kunnen ontwikkelen. Door onderwijs en zorg of andere ondersteuning beter op elkaar af te stemmen en jongeren tijdig en (in de school) passende ondersteuning te bieden. Wanneer nodig, wordt zo spoedig mogelijk doorverwezen naar externe professionals, zoals bijvoorbeeld schuldhulp, jeugdhulp en GGZ.
Projecten binnen deze maatregel
Project 1: Hulp op School (HOS) op het mbo
Door ondersteuning op school te organiseren kunnen uitdagingen snel worden aangepakt én kan wanneer nodig warme overdracht plaatsvinden naar andere professionals buiten de school.
Bijvoorbeeld naar de gemeente of hulpverlening. De mbo-scholen hebben een eigen zorgstructuur voor begeleiding en ondersteuning. HOS is een aanvulling hierop. Vanuit HOS kunnen jongeren op een laagdrempelige, snelle en persoonlijke manier begeleiding krijgen op het mbo. Bijvoorbeeld bij persoonlijke en psychische problematiek.
Binnen HOS wordt samengewerkt met verschillende professionals. Scholen bekostigen deze professionals uit vsv-middelen. De hulp die HOS biedt, helpt jongeren laagdrempelig om door te gaan met hun opleiding en blijkt soms ook nodig om te overbruggen naar specialistische hulp. Studenten kunnen snel (zonder wachttijd) en op school gebruikmaken van de geboden begeleiding. Een eventuele doorverwijzing is direct passend, omdat wordt doorgevraagd en gezocht naar de achterliggende oorzaak.
Goed om te weten: de inzet verschilt per mbo-school
De inzet op de scholen binnen de regio is afhankelijk van het aantal vsv’ers, het bijbehorende budget en de wensen van de mbo-scholen op basis van de eigen interne zorgstructuur.
- Bij mboRijnland zijn dit vaste coaches, psychologen en een GGD-verpleegkundige.
- ROC Mondriaan zet in op een train-de-trainer-programma, waarin studenten elkaar gaan ondersteunen.
Doelgroepen
- Alle studenten in een kwetsbare positie op mbo-locaties in de regio, zonder beperking van niveau, opleiding of woonplaats. Specifiek is de programmalijn gericht op studenten van mboRijnland en ROC Mondriaan met persoonlijke, psychische problematiek of thuisproblematiek.
- Specifieke vroegtijdige inzet voor studenten op de entree-opleiding zonder perspectief op een diploma of op vrijstellend onderwijs voor de inburgering. Het gaat voornamelijk om nieuwkomers/inburgeraars.
Doel
- Versterken van de ondersteuningsstructuur op school, zodat studenten in een kwetsbare positie laagdrempelig ondersteuning krijgen binnen de school.
Project 2: begeleiding voor financiële zelfredzaamheid
De financiële gezondheid van jongeren gaat achteruit. Dit is een aandachtspunt voor het vsv-programma, omdat financiële problemen meespelen bij schoolverlaten. Daarop wordt ingespeeld met dit project. Er zijn mogelijkheden tot korte en langere trajecten, afhankelijk van wat nodig is. De inzet is in de pilot (vanuit verlengbudget) gepositioneerd op de locatie LMS, omdat de meeste jongeren in een kwetsbare positie een opleiding volgen op deze locatie.
Jongeren krijgen ondersteuning bij financiële vragen. Bijvoorbeeld over: aanschaf schoolmiddelen bij start van de opleiding, DUO, persoonlijke omstandigheden, bijbaan, stage, toeslagen, betalingsachterstanden of schulden. Maar ook: overzicht krijgen in eigen inkomsten en uitgaven, voorliggende voorzieningen in kaart brengen en fondsen aanschrijven. In de maatregel wordt zo nodig aangesloten bij de schuldhulpverlening door de gemeenten.
Doelgroepen
Jongeren met beginnende schulden of risicogedrag op het gebied van geld, op locatie mbo Lammenschans.
- Kwetsbare jongeren die entree-opleiding volgen en dreigen uit te vallen vanwege financiële problemen.
- Jongeren vanuit de inburgering (nieuwkomers) die overstappen naar het mbo.
Doel
- Voorkomen en oplossen van financiële problemen, zodat uitval of belemmering bij de overgang naar het mbo wordt voorkomen.
- Zelfredzaamheid van studenten in een kwetsbare positie vergroten.
Project 3: Extra inzet vanuit het Doorstroompunt op de entree-opleiding van mboRijnland
Veel jongeren op de entree-opleiding komen vanuit het pro of vso en/of hebben een migratieachtergrond. De uitval vanuit de entree-opleiding van jongeren met deze vooropleidingen is enorm hoog en de doorstroom naar duurzaam werk te laag.
Veel jongeren starten op de opleiding, ondanks een negatief advies vanuit pro/vso of ISK.
Dit project biedt ondersteuning in een vroeg stadium, op school. Het doel hiervan is zorgen dat de jongeren vroegtijdig een alternatief traject kunnen starten. Het gaat om jongeren waarvan er na 3 maanden in de entree-opleiding al wordt geconstateerd dat ze niet op hun plek zijn en dat zij het diploma niet gaan halen. Met name voor de inburgeraars is deze constatering erg belangrijk. De entree-opleiding is immers geen vrijstellende opleiding voor de inburgering. Maar ook bij andere jongeren, zagen we dat zij pas heel laat (soms pas na 2 jaar) werden voorgedragen voor een garantiebaan.
Het gaat in dit project nadrukkelijk niet om loopbaanbegeleiding aan gediplomeerden. Deze jongeren zitten in het eerste jaar van de entree-opleiding en gaan geen diploma halen.
In dit project wordt een (extra) consulent vanuit het Doorstroompunt, verbonden aan de entree-opleiding. Deze consulent houdt zich bezig met de volgende taken:
- Structurele bijdrage leveren aan casuïstiek overleg (de slb’er/mentor, adviseur vanuit zorgstructuur en consulent leerrecht).
- Adviseren over het beste vervolgtraject.
- Zorgen voor specifieke deskundigheid binnen het casuïstiek overleg.
- Informeren van jongeren over een meer passend vervolgtraject.
- Bieden van intensieve begeleiding aan nieuwkomers.
- Driegesprekken voeren met de inburgering en de jongere.
Voor jongeren van wie geconstateerd wordt dat zij intensieve begeleiding nodig hebben van gemeenten (de nieuwe rol vanuit de nieuwe wet), wordt deze intensieve begeleiding uitgevoerd door de gemeenten en niet door deze consulent. Uiteraard afhankelijk van de wensen van de jongeren. De consulent kan wel de verbinding maken met de gemeente.
De extra inzet is altijd een voortzetting van of vervolg op de begeleiding die de school en het Doorstroompunt al geven. Dit gebeurt vanuit de reguliere (en wettelijke) inzet om voortijdig schoolverlaten te voorkomen. In alle gevallen worden eerst de reguliere processen ingezet in de begeleidingsstructuur op school. Die reguliere inzet van het mbo en Doorstroompunt richt zich erop om terug te keren naar school en de opleiding succesvol af te ronden. De extra inzet volgt wanneer verwacht wordt dat de student baat heeft bij extra begeleiding om door te stromen naar een ander vervolgtraject. Als dat betere perspectieven biedt dan het onderwijs. De adviseur van het OSC, de studieloopbaanbegeleider van de opleiding én de vaste consulent leerrecht van het Doorstroompunt besluiten dit samen. Deze inzet kan ook plaatsvinden wanneer er geen sprake is van verzuim.
Doelgroepen
- Jongeren met een schoolinschrijving op de entree-opleiding bij mboRijnland.
Doel
- Vroegtijdig begeleiden naar de inburgering.
- Adviseren over het beste vervolgtraject, voordat er sprake is van een negatief studieadvies of schooluitval.
- Jongeren vroegtijdig een alternatief traject laten starten (in plaats van af te wachten).
- Deskundigheidsbevordering in de casuïstiek.
Hierdoor komt er een sterkere verbinding van school naar de reguliere trajecten en taken van de gemeenten en andersom. Ook wordt dit proces naar een alternatief traject versneld. Als dat nodig is, wordt contact gezocht met de gemeenten van buiten de vsv-regio.
Thema’s om afspraken over te maken
Binnen deze programmalijn zijn er nieuwe wettelijke afspraken en aanvullende afspraken te maken.
Wettelijke afspraken
- Reguliere verzuimafspraken: Bovenregionale verzuimafspraken staan in het programma Verzuimbeleid mbo en worden vastgelegd door het Doorstroompunt. Deze moeten worden voortgezet en gefinetuned. Dit zorgt voor continuïteit in de intensieve samenwerking tussen Doorstroompunt en mbo-scholen in de regio.
- Tegengaan van ongediplomeerde uitval naar werk.
- Hulp in de school.
Aanvullende afspraken
- Inzet op schoolaanwezigheid: Dit wordt uitgewerkt als thema, gericht op deskundigheidsbevordering, in maatregel 6.
Wat gebeurt er regulier?
Scholen en gemeenten bieden ondersteuning aan jongeren binnen en rondom de school:
- Scholen bieden ondersteuning door mentor en een zorgteam dat zich richt op het oplossen van belemmeringen bij het leren om schoolverlaten te voorkomen.
- School en Doorstroompunt werken samen om schoolverlaten te voorkomen. Onder andere door een samen vastgestelde verzuimaanpak.
- Het Doorstroompunt biedt (traject)begeleiding aan jongeren die uitvallen. Ook verwijst het Doorstroompunt eventueel door naar gemeenten en andere instanties.
- Gemeenten bieden ondersteuning, onder andere in het kader van de nieuwe wet (vastgelegd in artikel 7a van de Participatiewet, zie bijlage).
- Als dat nodig is, worden jongeren verwezen naar gemeentelijke voorzieningen in hun woonplaats zoals jeugdzorg en Wmo.
Wat maakt deze maatregel aanvullend op reguliere taken?
Er is een groep jongeren die extra of specifieke hulp nodig heeft. Deze maatregel richt zich op jongeren in het mbo die kortdurende, laagdrempelige ondersteuning nodig hebben, die school niet kan bieden. Deze (snel beschikbare) ondersteuning vanuit een specifieke expertise (Denk aan expertise op het gebied van onder meer geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg, financiële begeleiding en inburgering), maakt het voor studenten in een kwetsbare positie mogelijk om tot leren te komen, ongeacht hun achtergrond of persoonlijk uitdagingen. De extra inzet wordt afgestemd met mentoren en/of interne zorgadviseurs en indien nodig met de consulent leerrecht.
Sommige jongeren komen pas tot leren in andere trajecten dan op school. Dit zien we op dit moment veel in de entree-opleiding. Ook daar is aandacht voor in deze maatregel. De extra inzet op de entree-opleiding is altijd een voortzetting van of vervolg op de begeleiding die de school en het Doorstroompunt al geven. De inzet vervangt niet de inzet van de gemeenten of het Doorstroompunt.
Maatregel 4: Schoolverlaten
Psychische problemen, een onrustige thuissituatie of gewoon de wens om liever praktisch aan de slag te gaan en geld te verdienen. Het zijn voorbeelden van redenen die jongeren geven om uit te stromen vanuit het onderwijs (pro, vso, vo én mbo). Vaak zijn deze kwetsbare jongeren teleurgesteld in de opleiding of er zijn persoonlijk problemen. Of ze zijn onzeker, missen sociale vaardigheden en/of zijn niet voldoende zelfredzaam. Dat staat een duurzame opleiding of baan in de weg.
Deze maatregel richt zich in eerste instantie op terugkeer naar school. Blijkt dat niet haalbaar? Dan wordt de jongere begeleid bij het maken van toekomstplannen en begeleid naar duurzaam werk. Belangrijke elementen in deze maatregel zijn:
- competenties en sociale vaardigheden ontwikkelen;
- persoonlijke/psychische problemen oplossen of verminderen;
- motivatie en zelfvertrouwen hervinden of vergroten;
- een nieuwe studie- of loopbaanrichting zoeken; en
- werknemersvaardigheden en ervaring opdoen in de praktijk.
In de projecten van deze maatregel zijn al deze elementen gecombineerd aanwezig. Gebleken is dat deze gecombineerde aanpak ervoor zorgt dat jongeren na deze trajecten terugkeren naar het onderwijs of zich duurzaam kunnen ontwikkelen, ook in werk. De aanpak is lastiger te organiseren in de schoolse setting én vraagt ook specifieke deskundigheid (bijvoorbeeld op het gebied van internaliserende problematiek of gedragsproblemen). Bovendien zien we dat het soms nodig is om een tijdje uit de situatie te kunnen stappen en letterlijk op een andere plek een nieuwe start te kunnen maken in een kleinschalige, veilige setting.
Aanvullend aan deze maatregel maken we afspraken over de wijze van samenwerken bij het verlaten van school. Welke loopbaanbegeleiding (nazorgtaak in verband met de nieuwe wetgeving) wordt ingezet op het pro/vso en het mbo? Welke inzet is er in het Doorstroompunt en bij de gemeentes voor jongeren tot 27 jaar? En hoe werken we met elkaar samen? Deze afspraken zijn te vinden in de bijlage.
Projecten binnen deze maatregel
Project 1: Buitenkans op het vo
Buitenkans is een succesvolle samenwerking tussen Cardea, mboRijnland, gemeenten en hun afdelingen Werk & Inkomen, Doorstroompunt, werkgevers in de regio, SWV V(S)O Duin & Bollenstreek en SWV Leiden. Dit project richt zich op jongeren voor wie in het reguliere aanbod van onderwijs en jeugdhulp geen antwoord is. Zij hebben een afstand tot onderwijs en de arbeidsmarkt. Doordat ze geen startkwalificatie hebben of doordat ze geen aansluiting hebben op de arbeidsmarkt. Buitenkans biedt hun een positief toekomstperspectief. Buitenkans op het vo wordt grotendeels gefinancierd door de vo-scholen.
Buitenkans vo biedt een op maat gemaakt programma dat bestaat uit: coaching, (diverse) stages en wekelijkse training. Op een praktische en ervaringsgerichte manier maken jongeren kennis met verschillende studierichtingen. Het programma is gericht op terugkeer naar school. Bij de start van het traject worden afspraken gemaakt over de mogelijkheden na Buitenkans. Hierbij wordt zo veel mogelijk ingezet op terugkeer naar de vo-school, zodat de jongere alsnog een vo-diploma kan behalen. Pas als dit geen mogelijkheid is, wordt onderzocht wat de best passende entree-opleiding is.
Doelgroepen
Jongeren van 15-18 jaar die dreigen uit te vallen uit het vo. Het gaat om jongeren die nog wel onderwijs volgen, maar dreigen uit te vallen. Deze inzet zorgt ervoor dat deze jongeren (tijdelijk) buiten de onderwijssetting kunnen werken aan competenties, sociale skills, verminderen persoonlijke problemen, hervinden motivatie.
Doel
- Jongeren laten terugkeren naar het vo binnen een half jaar. Blijkt een diploma niet realistisch? Dan wordt ingezet op de overstap naar een entree-opleiding of een duurzame plek op de arbeidsmarkt.
Project 2: Buitenkans voortijdig schoolverlaters
Buitenkans wordt ook aangeboden voor oudere jongeren. Naast dat er gekeken wordt of een terugkeer naar school mogelijk is, richt dit project zich vooral op de stap naar duurzaam werk. Buitenkans is in ontwikkeling en wordt aangepast aan nieuwe doelgroepen (23-27 jaar).
Buitenkans biedt een op maat gemaakt programma dat bestaat uit: coaching, (diverse) stages en wekelijkse training. Op een praktische en ervaringsgerichte manier werken de jongeren aan vaardigheden en randvoorwaarden die nodig zijn voor de stap naar onderwijs of de arbeidsmarkt. Het helpt om hun kansen te vergroten op een succesvolle en duurzame plaats in het onderwijs of de arbeidsmarkt. Omdat met Buitenkans hun sociale redzaamheid én zelfredzaamheid/zelfstandigheid op het gebied van stage- en werknemersvaardigheden wordt vergroot. De training wordt gegeven door ervaren professionals uit de hulpverlening.
Doelgroepen
- Vsv’ers van 16-27 jaar die in de regio wonen, voortijdig schoolverlater zijn en door persoonlijke of psychische problemen of onvoldoende competenties/sociale vaardigheden vooralsnog niet terug kunnen naar school of nog niet begeleid kunnen worden naar duurzaam werk.
Doel
- Jongeren begeleiden naar het reguliere mbo óf naar duurzaam werk.
Project 3: ondersteuning voor jongeren van ‘buitenscholen’
Dit project richt zich op jongeren die in onze regio wonen, maar nog ingeschreven staan bij een school buiten de regio. Het gaat om individuele begeleiding op voordracht van het Doorstroompunt.
Het project biedt ondersteuning voor jongeren die problemen hebben en daardoor vastlopen op de betreffende school, maar daar geen juiste ondersteuning kunnen krijgen of al afgehaakt zijn op school.
Doelgroepen
- Jongeren uit onze regio die in een andere regio naar school gaan en dreigen uit te vallen vanwege complexe, vaak psychische problemen of problemen in de thuissituatie.
Doel
- Oplossen van problemen, zodat uitval wordt voorkomen.
- Zelfredzaamheid van studenten in een kwetsbare positie vergroten.
Project 4: Extra inzet op opleidingen met een verhoogd percentage vsv’ers
(Deze inzet is afhankelijk van de jaarlijkse budgettaire mogelijkheden.)
Elk jaar wordt onderzocht welke mbo-opleidingen een verhoogd percentage vsv’ers hebben. Er wordt gekeken welke extra inzet mogelijk en nodig is om schooluitval te verminderen. Hiervoor wordt de jaarlijkse vsv-analyse gebruikt als uitgangspunt.
De invulling van de extra inzet is afhankelijk van de specifieke situatie en de oorzaak van de betreffende problemen binnen de opleiding. Hiervoor werken we samen met de betreffende opleiding.
Jaarlijks reserveren we budget voor deze specifieke extra inzet. De inzet moet aan 3 voorwaarden voldoen:
- De inzet moet de problemen en uitval kunnen beïnvloeden.
- De inzet moet kunnen aansluiten bij wat de opleiding zelf al inzet om voortijdig schoolverlaten te voorkomen.
- De inzet moet voldoen aan alle overige afspraken die gelden vanuit OCW en die we hebben gemaakt over maatregelen in het programma.
Doelgroepen
- Kwetsbare jongeren die dreigen uit te vallen op een opleiding met een verhoogd percentage vsv’ers.
Doel
- Verminderen van percentage vsv’ers binnen de opleiding.
Thema’s om afspraken over te maken
In het programma gaan we zowel aanvullende als wettelijke afspraken maken over een aantal thema’s. Op de volgende pagina een korte opsomming van die thema’s.
Wettelijke afspraken
In verband met de nieuwe wet Van school naar duurzaam werk worden er aansluitend aan deze programmalijn verschillende nieuwe wettelijke taken ingezet. Het gaat om de volgende taken en afspraken:
- Welke loopbaanbegeleiding wordt geboden op de pro/vso en het mbo voor jongeren met een diploma?
- Welke begeleiding biedt het Doorstroompunt aan jongeren zonder startkwalificatie?
- Welke begeleiding bieden de gemeenten in het kader van leerwerktrajecten en trajecten naar duurzaam werk?
- De wijze van samenwerking tussen scholen, gemeenten en Doorstroompunt in overgang van school naar werk.
- Hoe is de overdracht geregeld van de scholen naar de gemeenten en het Doorstroompunt?
- Het gebruik van het overgangsdocument (als de loopbaanbegeleiding na diplomering wordt voortgezet door de gemeente).
- Stimuleren duurzame arbeidsinschakeling door inzet op praktijkleren in het mbo (resulterend in mbo-verklaring of mbo-certificaat) en gebruik van sectorale ontwikkelpaden.
- Ondersteuning op de werkplek voor jongeren met meervoudige problemen.
Aanvullende afspraken
- Wat spreken we af over nieuwkomers die uitvallen en nog onder de inburgeringsplicht vallen? Na de entree-opleiding of na uitval op mbo 2 zijn sommige nieuwkomers nog inburgeringsplichtig. Het is belangrijk dat er snel geschakeld wordt met de inburgering.
- Binnen het reguliere aanbod moeten goede afspraken gemaakt worden over een aantal specifieke doelgroepen. Het gaat om deze doelgroepen voor wie het programma geen oplossing biedt:
- Jongeren die naar een arbeidsmatige dagbesteding gaan
Deze jongeren hebben na het pro of vso soms te weinig ontwikkelingsmogelijkheden. Zij vallen niet binnen de doelgroep van het programma. Waar kan deze doelgroep wel terecht? - Jongeren met crimineel gedrag
Binnen het programma is geen specifieke inzet voor deze doelgroep. De reden hiervoor zijn de complexiteit van de problematiek en de afspraken die er op gemeentelijk niveau zijn.
In bijlage 5 is een uitwerking van de wettelijke en aanvullende afspraken te vinden. Deze afspraken kunnen in de loop van het programma verder uitgewerkt of aangevuld worden. De bijlage wordt hier dan op aangepast.
Goed om te weten
Programmalijn 4 is niet gericht op thuiszitters in het vo In de regio zijn aparte afspraken gemaakt over thuiszitters en risicoleerlingen in het vo tussen het onderwijs, de gemeenten, de samenwerkingsverbanden en het Regionaalbureau Leerrecht.
Goed om te weten
Veranderingen in onderwijs voor jongeren met zeer externaliserend gedrag.
In het vsv-programma richten wij ons niet specifiek op deze jongeren met externaliserend gedrag. Dit kunnen we vanuit het vsv-programma namelijk niet oplossen. Het P.C. Hooft college gaat stoppen met speciaal onderwijs voor deze jongeren. Het blijkt namelijk geen oplossing om deze jongeren bij elkaar te zetten. Dit betekent uiteraard niet dat jongeren met externaliserend gedrag niet kunnen meedoen in het programma.
Wat gebeurt er regulier?
Voor jongeren is reguliere en extra ondersteuning vanuit het onderwijs, Doorstroompunt en gemeentes:
- Scholen bieden ondersteuning door mentor en een zorgteam dat zich richt op het oplossen van belemmeringen bij het leren om schoolverlaten te voorkomen.
- School en Doorstroompunt werken samen om schoolverlaten te voorkomen. Onder andere door een samen vastgestelde verzuimaanpak.
- Het Doorstroompunt biedt (traject)begeleiding aan jongeren die uitvallen. Ook verwijst het Doorstroompunt eventueel door naar gemeenten en andere instanties.
- Gemeenten bieden ondersteuning, onder andere in het kader van de nieuwe wet (vastgelegd in artikel 7a van de Participatiewet).
- Als dat nodig is, worden jongeren verwezen naar gemeentelijke voorzieningen in hun woonplaats zoals jeugd en Wmo.
Wat maakt deze maatregel aanvullend op reguliere taken?
De projecten in deze maatregel zijn aanvullend, omdat deze inzet niet past bij bovenstaande onderwijs- of gemeentetaken. Bijvoorbeeld omdat het een project is dat zich niet richt op zorg, maar ook geen onderwijs is. Of omdat het gaat om inzet die ervoor zorgt dat jongeren gemakkelijker en sneller gebruik kunnen maken van de juiste reguliere voorzieningen.
Bij de ondersteuning van jongeren van buitenscholen is sprake van een zeer intensieve, out-reachende aanpak/extra inzet voor jongeren van 16-27 jaar uit de doorstroompuntregio.
Hiervoor is de reguliere voorliggende financiering uit andere regelingen niet beschikbaar. Denk aan huisbezoeken bij jongeren met een schoolinschrijving, snelle inzet coaching, herstellen van de verbinding met de school of doorleiden naar passende reguliere begeleiding, zoals jeugdhulp.
Maatregel 5: Duurzaam werk
Deze maatregel richt zich op kwetsbare jongeren in de latere fase van hun ontwikkeling. Deze jongeren zijn al eerder uitgestroomd uit het onderwijs en komen niet meer in aanmerking voor nazorg vanuit school. Als ze al werken, is er een groep die minder goed in staat is om een baan te behouden. Door keer op keer uit te vallen, hebben zij een grote kans op baanverlies. Daarnaast is er een kleine groep die op de reguliere arbeidsmarkt minder goed zijn weg vindt. Heroriëntatie, ondersteuning op diverse leefgebieden of snelle verwijzing naar een garantiebaan is soms nodig. Maatwerk blijft belangrijk in deze maatregel.
Er is wat overlap met maatregel 4 schoolverlaten. Dit betekent dat, als dat nodig blijkt, projecten uit maatregel 5 ook al snel na het verlaten van school ingezet kunnen worden.
Projecten binnen deze maatregel
In het volgende overzicht is de inventarisatie te vinden van projecten die verder uitgewerkt moeten worden. De inzet van deze projecten vraagt namelijk om samenwerking met de arbeidsmarktregio, de scholen, het Doorstroompunt en zo mogelijk ook SBB.
Project 1: Praktijkleren
Dit project helpt jongeren om zich verder te ontwikkelen en werk te behouden in de toekomst. De ambitie daarbij is dat jongeren gemotiveerd en gestimuleerd worden om te blijven leren. Er komt een begeleider die werkgevers, doorstroomcoaches of nazorgcoaches gaat ondersteunen bij het inzetten van praktijkleren.
Doelgroepen
- Jongeren in de regio die graag leren in de praktijk en behoefte hebben aan begeleiding. De maatregel richt zich op jongeren met een pro/vso-diploma en vsv’ers voor wie het vervolgen van een mbo-opleiding (waaronder BBL) niet haalbaar is.
Doel
- Ontwikkeling van jongeren stimuleren, zodat zij een sterkere positie op de arbeidsmarkt krijgen.
Project 2: Oefenen in de praktijk
Binnen dit project kunnen jongeren werknemersvaardigheden opdoen en kennismaken met verschillende beroepen. Daarvoor wordt samengewerkt met werkgevers die werkervaringsplekken of stageplekken beschikbaar stellen.
Er komt een begeleider, die zich specifiek richt op het zoeken naar, bemiddelen en begeleiden van snuffelstages en werkervaringsplaatsen op maat. Hierdoor kunnen jongeren op een laagdrempelige en snelle manier kennismaken met beroepen in de praktijk. Deze begeleider zoekt verbinding met de arbeidsmarktregio, het werkgeversservicepunt, scholen en SBB, zodat deze inzet ook gebruikmaakt van bestaande netwerken.
Doelgroepen
- Jongeren die nog zoekende zijn naar een passende richting of een minder passende studiekeuze hebben gemaakt.
- Jongeren die weinig ervaring hebben of nog jong zijn.
- Jongeren die regelmatig van baan wisselen.
Doel
- Jongeren laten kennismaken met verschillende sectoren en beroepen.
- Jongeren helpen zich te oriënteren op een duurzame plek op de arbeidsmarkt.
- Vergroten van de werknemersvaardigheden van jongeren.
- Jongeren meer werkervaring laten opdoen.
Als het mogelijk is, worden de jongeren gestimuleerd in te stromen in een BBL- opleiding of de mbo-werkt-variant van mboRijnland, maar dit is niet het primaire doel.
Project 3: Extra pluscoaching
Als een jongere voortijdig stopt met school dan stopt de coaching vanuit school ook. Dit kan een belemmering vormen voor bemiddeling of begeleiding. Daar biedt dit project een oplossing voor.
Pluscoaching wordt ingezet voor jongeren die al begeleiding krijgen. Parallel aan deze begeleiding bij het maken van toekomstplannen en begeleiding naar werk krijgt de jongere coaching om persoonlijke problemen op te lossen en zelfstandiger te worden. De pluscoaching biedt snelle en makkelijke ondersteuning.
Doelgroepen
- Jongeren zonder startkwalificatie die al begeleiding krijgen vanuit regulier aanbod. Dit reguliere aanbod bestaat uit de nazorg vanuit de scholen of de begeleiding van het Doorstroompunt.
Doel
- Zorgen dat persoonlijke problemen het maken van toekomstplannen niet in de weg zitten.
- Versterken van de begeleiding terug naar school en naar werk (de reguliere taken).
Project 4: Buitenkans 2.0
Het project Buitenkans uit maatregel 4 kan ingezet worden voor de nieuwe doelgroep (23-27 jaar). Daarbij is ook aandacht voor een aansluitende aanpak tussen Buitenkans en gemeentelijke mogelijkheden (zoals een leerwerktraject en een garantiebaan). Zodat jongeren na de overdracht niet weer opnieuw hoeven te beginnen met oriënteren en een half jaar thuis zitten. De inhoud van het project is beschreven bij maatregel 4 schoolverlaten.
Project 5: Monitoring en begeleiding voor werkende jongeren
De Doorstroompunt-doelgroep betreft alle jongeren van 18 tot 27 jaar zonder schoolinschrijving, zonder inkomen/met beperkt inkomen, zonder uitkering en zonder diploma vanaf mbo 2/havo. Deze jongeren worden gemonitord door het Doorstroompunt. Aan hen wordt begeleiding aangeboden.
Vanuit het Rijk wordt voor alle vsv’ers een prioritering meegegeven op basis van het inkomen. Voor 2025 ligt deze grens op € 731 bruto per maand. Dit wordt jaarlijks vastgesteld. Bij jongeren die een uitkering ontvangen heeft de woongemeente van de jongere de regie.
Veel jongeren verdienen net iets meer dan de jongeren met het inkomen van de prioriteitsgroep. Dit zijn vaak jongeren met een tijdelijk contract of een oproepcontract. Ook gaat het vaak om werk met weinig perspectief. Zonder startkwalificatie blijven jongeren kwetsbaar: ze hebben op langere termijn een grotere kans op minder ontwikkeling en minder duurzaam werk. Ook hebben zij kans op financiële problemen. We weten nog niet zeker of we vanaf 2026 gegevens krijgen over jongeren met een inkomen boven het inkomen van de prioriteitsgroep. Dat betekent dat dit project – nu nog – onder voorbehoud gepresenteerd wordt.
Jongeren met een inkomen net boven dat van de prioriteitsgroep worden benaderd. Aan hen wordt zo nodig begeleiding aangeboden.
Doelgroepen
- Werkende jongeren van 18-27 jaar, zonder startkwalificatie, met een inkomen boven dat van de prioriteitsgroep van het Rijk.
Doel
- Indien nodig: begeleiding aanbieden naar duurzaam werk.
- Begeleiding aanbieden naar het onderwijs, bijvoorbeeld een BBL-opleiding.
- Indien begeleiding niet nodig is: jongeren wijzen op het werkcentrum, waar ze altijd op een ander moment terecht kunnen.
Thema’s om afspraken over te maken
Bij deze programmalijn gaan we wettelijke en aanvullende afspraken maken over verschillende thema’s (zie ook bijlage 5).
Wettelijke afspraken
- Chronisch zieke of minder belastbare jongeren: Deze jongeren vallen mogelijk binnen het doelgroepenregister of vallen onder de ESB-regeling. Goede afspraken over de reguliere taken van scholen en gemeenten zijn belangrijk.
- Jongeren die onvoldoende capaciteiten of vaardigheden hebben om mee te komen: Kan een jongere onvoldoende meekomen in regulier onderwijs of op de reguliere arbeidsmarkt? En is blijvende ondersteuning nodig? Dan is het doelgroepenregister, een garantiebaan of jobcoaching wellicht een optie. Hierover zijn goede afspraken nodig over de reguliere taken van scholen en gemeenten.
Aanvullende afspraken
- Training voor werkgevers: Er zijn trainingen beschikbaar voor werkgevers die kwetsbare jongeren ondersteunen. Denk aan de training ‘De ideale werkbegeleider’ van DZB en de buddytraining van Stichting Lezen en Schrijven.
Maatregel 6: Professionalisering
Deze maatregel richt zich op inzet die niet rechtstreeks gericht is op jongeren zelf. Een belangrijk onderdeel hiervan is de deskundigheidsbevordering van professionals in onze regio. We zetten in op het verbeteren van de interventies, versterken van de ketensamenwerking en borging van kennis uit het regionaal programma in reguliere organisatiestructuren. Het gaat daarbij onder andere om professionals op scholen, bij gemeenten en het Doorstroompunt: de professionals die dagelijks in contact zijn met jongeren. Zij zitten namelijk dicht bij het vuur en kunnen helpen om vroegtijdig in te grijpen bij signalen van risico’s op voortijdig schoolverlaten.
We zijn van plan om bijeenkomsten te organiseren waarbij de partners uit het programma met elkaar in gesprek gaan over belangrijk thema’s. Ook het organiseren van casuïstiek overleg vinden we een belangrijke pijler. Concreet betekent dit: uitwisseling van deskundigheid, leren van elkaar en anderen en netwerkversterking. Hierbij is ook aandacht voor het uitwisselen van mogelijkheden, de verschillende rollen en taken van partners in het programma, gezamenlijke training en het bespreken van complexe casuïstiek.
De verschillende partners hebben uiteraard zelf uitgebreide opleidingsplannen en trainingsmogelijkheden voor medewerkers. De maatregel richt zich niet op deze individuele scholing of training, maar is altijd aanvullend én gericht op de samenwerking aan de opgaven in het programma, professionalisering en netwerkversterking. Hierbij staan thema’s centraal die te maken hebben met de doelstellingen in het programma rond jongeren of de samenwerking met elkaar.
Overige inzet: jongerenparticipatie
De externe, gespecialiseerde partij Young Inspiration ondersteunt ons bij de jongerenparticipatie. We starten, nog in 2025, een project waarbij jongeren worden ingezet als onderzoeker. Dit onderzoek van jongeren moet ertoe leiden dat nog duidelijker wordt wat belangrijk is voor jongeren in het programma én hoe we jongeren het beste nog meer kunnen betrekken bij de uitvoering van het programma. Deze informatie kan ertoe leiden dat maatregelen of projecten gedurende de looptijd aangepast worden.
Ook worden deelnemende jongeren in het programma betrokken bij evaluaties, zoals we dat in voorbereiding op het nieuwe programma ook hebben gedaan. Deze evaluaties kunnen ook leiden tot aanpassingen of nieuwe initiatieven. Het project in voorbereiding op het programma is nog niet afgerond. Dat betekent dat de concrete uitwerking nog verder gedaan wordt begin 2026 en dan wordt toegevoegd aan het programma.
Bijlage 1 – Budget
| Maatregel 1: Ondersteuners op het VO | |||||
|---|---|---|---|---|---|
| Ondersteuners op het VO | € 247.000 | € 254.000 | € 262.000 | € 269.000 | € 1.032.000 |
| Projectleider | € 20.000 | € 21.000 | € 21.000 | € 22.000 | € 84.000 |
| Totaal | € 267.000 | € 275.000 | € 283.000 | € 291.000 | € 1.116.000 |
| Maatregel 2: Overstappen naar het mbo | |||||
| Overstap/Opstap | € 166.000 | € 119.000 | € 122.000 | € 126.000 | € 533.000 |
| M-Jaar 1 klas | € 72.000 | € 74.000 | € 76.000 | € 78.000 | € 300.000 |
| M-Halfjaar 1 klas | € - | € - | € 47.000 | € 49.000 | € 96.000 |
| ISK nazorgcoach Duin en Bollenstreek | € 58.000 | € 40.000 | € 41.000 | € 42.000 | € 181.000 |
| ISK nazorgcoach Leiden per start sj. 26/27 | € 17.000 | € 40.000 | € 41.000 | € 42.000 | € 140.000 |
| Totaal | € 313.000 | € 273.000 | € 327.000 | € 337.000 | € 1.250.000 |
| Maatregel 3: Ondersteunen op mbo | |||||
| Ondersteunen op mboRijnland (incl Shout) | € 376.000 | € 387.000 | € 399.000 | € 411.000 | € 1.573.000 |
| Ondersteunen op ROC Mondriaan Leiden | € 11.000 | € 11.000 | € 12.000 | € 12.000 | € 46.000 |
| Ondersteunen op de entree | € 60.000 | € 62.000 | € 64.000 | € 65.000 | € 251.000 |
| Projectleider | € 30.000 | € 31.000 | € 32.000 | € 33.000 | € 126.000 |
| Totaal | € 477.000 | € 491.000 | € 507.000 | € 521.000 | € 1.996.000 |
| Maatregel 4: Schoolverlatend/dreigend | |||||
| Buitenkans | € 191.000 | € 197.000 | € 203.000 | € 209.000 | € 800.000 |
| Ondersteunen studenten buitenscholen | € 50.000 | € 52.000 | € 53.000 | € 55.000 | € 210.000 |
| Overige kosten | € 11.000 | € 11.000 | € 11.000 | € 11.000 | € 44.000 |
| Projectleider | € 13.000 | € 14.000 | € 14.000 | € 15.000 | € 56.000 |
| Extra inzet voor opleidingen met een verhoogd vsv-cijfer | € 22.000 | € 54.000 | € 55.000 | € 57.000 | € 188.000 |
| Totaal | € 287.000 | € 328.000 | € 336.000 | € 347.000 | € 1.298.000 |
| Maatregel 5: Duurzaam werk | |||||
| Oefenen in de praktijk | € 40.000 | € 60.000 | € 62.000 | € 64.000 | € 226.000 |
| Praktijkleren | € 34.000 | € 52.000 | € 53.000 | € 55.000 | € 194.000 |
| Benaderen werkende jongeren zonder startkwalificatie | € 34.000 | € 52.000 | € 53.000 | € 55.000 | € 194.000 |
| Overige kosten | € 23.000 | € 34.000 | € 35.000 | € 36.000 | € 128.000 |
| Extra pluscoaching | € 39.000 | € 40.000 | € 41.000 | € 43.000 | € 163.000 |
| Maatwerk/Rea | € 27.000 | € 27.000 | € 28.000 | € 29.000 | € 111.000 |
| Projectleider | € 27.000 | € 28.000 | € 28.000 | € 29.000 | € 112.000 |
| Totaal | € 224.000 | € 293.000 | € 300.000 | € 311.000 | € 1.128.000 |
| Maatregel 6: Professionalisering | |||||
| Deskundigheidsbevordering | € 50.000 | € 52.000 | € 53.000 | € 55.000 | € 210.000 |
| Totaal | € 50.000 | € 52.000 | € 53.000 | € 55.000 | € 210.000 |
| Overig | |||||
| Programmamanagement | € 143.000 | € 147.000 | € 151.000 | € 156.000 | € 597.000 |
| Beheer mboRijnland | € 33.000 | € 34.000 | € 35.000 | € 36.000 | € 138.000 |
| Accountantkosten | € 13.000 | € 13.000 | € 14.000 | € 14.000 | € 54.000 |
| Jongerenparticipatie | € 20.000 | € 21.000 | € 21.000 | € 22.000 | € 84.000 |
| Onderzoek en evaluatie door RBL | € 7.000 | € 7.000 | € 8.000 | € 8.000 | € 30.000 |
| Onvoorzien | € 52.254 | € 52.254 | € 52.254 | € 52.254 | € 209.016 |
| Totaal | € 268.254 | € 274.254 | € 281.254 | € 288.254 | € 1.112.016 |
| Totaal | € 1.886.254 | € 1.986.254 | € 2.087.254 | € 2.150.254 | € 8.110.016 |
Bijlage 2 – Uitgangspunten en voorwaarden binnen het programma
Elke maatregel en elk project binnen het vsv-programma moet bijdragen aan de afgesproken doelen. Daarom hebben we afspraken en kaders geformuleerd aan de hand waarvan maatregelen en projecten te beoordelen zijn.
Algemene uitgangspunten bij keuzes in het programma
- We werken datagestuurd. Dit betekent onder andere dat we de inzet van middelen baseren op de jaarlijkse regionale vsv-analyse, de evaluatie en de resultaten van bestaande vsv-maatregelen.
- We focussen binnen het programma op een aantal speerpunten: de eerste 5 maatregelen. Dit zorgt voor een grotere effectiviteit. Ook voorkomen we daarmee versnippering.
- We maken overhead inzichtelijk. De middelen worden zo veel als mogelijk ingezet voor directe mogelijkheden voor jongeren.
- We kiezen voor effectieve maatregelen die gericht zijn op hoofdredenen van schooluitval. Zo gaan we vroegtijdig schoolverlaten effectief tegen.
- We werken bij voorkeur preventief: voorkomen dat een jongere uitvalt is beter dan achteraf herstellen.
Voorwaarden bij projecten
- Het project is aanvullend op een reguliere, wettelijke taak van scholen, gemeenten en het Doorstroompunt.
- Het project is bedoeld voor alle jongeren op de scholen in de regio en/of voor jongeren die in de regio wonen. Vooraf wordt bij elk project omschreven wie de doelgroep is:
- Alle jongeren die onderwijs volgen op de onderwijslocatie en horen bij de beoogde doelgroep van het project.
- Jongeren die in de regio wonen. Onderscheid op basis van woonplaats kan alleen als dit onderbouwd wordt.
- Jongeren die binnen de regio wonen, maar buiten de regio naar het mbo gaan.
- Het project is jaarlijks bij te stellen op basis van nieuwe trends en inzichten.
- Het project is tijdelijk van aard. Blijkt een aanpak succesvol? Dan wordt dit na de programmaperiode geborgd in de bestaande organisatie.
Afspraken over monitoring
Jaarlijks worden door het RBL de regionale vsv-cijfers en de cijfers van de NEET doelgroep geanalyseerd en besproken in de stuurgroep en het bestuurlijk overleg. Deze informatie helpt ons in te blijven zetten op het voorkomen van schooluitval en vergroten van de kans op duurzaam werk.
Ieder half jaar analyseert het RBL de resultaten van de verschillende maatregelen. Gedurende de looptijd van het programma wordt het aantal deelnemers aan de maatregel en de voortgang in de (school)loopbaan van deze deelnemers gemonitord, per project. Voor maatregel 1 wordt gekeken naar de resultaten per school.
Dat betekent in het algemeen:
- Tijdens de looptijd van het programma kijken we elk half jaar hoeveel jongeren meedoen in de maatregel. Van deze jongeren wordt bijgehouden welke leeftijd zij hebben en eventueel welk onderwijsniveau ze volgen of de inkomenspositie (SUWI).
- Aan het einde van een traject onderzoeken we of de jongeren uit onze vsv-regio nog steeds op school zitten of weer naar school zijn gegaan, voortijdig schoolverlater zijn geworden of duurzaam werken (m.b.v. SUWI-gegevens).
- Een jaar later bekijken we of de jongeren uit onze vsv-regio nog op school zitten óf een startkwalificatie behaald hebben of duurzaam werken (m.b.v. SUWI-gegevens).
- Bij het project ‘Extra inzet vanuit Doorstroompunt op de entree-opleiding’ kijken we naast bovenstaande gegevens ook naar het vervolgtraject. Met name doorstroom naar de inburgering en het vervolg in een gemeentelijk traject.
Evaluatie van de maatregel vindt jaarlijks plaats. De effectiviteit van de maatregel zal tijdens de looptijd van het regionaal programma worden geëvalueerd. In verband met de privacy van de deelnemers, zullen aanvullende afspraken gemaakt worden.
Bijlage 3 – Streefcijfers
| huidige cijfers 23-24 | 25-26 | 26-27 | 27-28 | 28-29 | 29-30 | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| vsv oude definitie vo + mbo (werkelijke cijfers 24-25) | 576 | |||||
| vsv nieuwe definitie vo +mbo (werkelijk in nieuwe def)” | 737 | |||||
| VO | ||||||
| vsv vo oude definitie afname 2% (1e jaar stabiel) | 134 | 134 | ||||
| vsv vo nieuwe def | 172 | 168 | 165 | 161 | 158 | |
| Afname | 14 | |||||
| MBO | ||||||
| vsv mbo oude def (1e jaar stabiel) | 442 | 442 | ||||
| vsv mbo nieuwde def afname 2% (1e jaar stabiel) | 566 | 554 | 543 | 532 | 522 | |
| Afname | 44 | |||||
| Streefcijfers regio per jaar | ||||||
| oude definitie | 576 | |||||
| nieuwe definitie | 722 | 708 | 693 | 680 |
Realistische streefcijfers zijn belangrijk
Met ons programma willen we ambitieus zijn en voortijdig schoolverlaten zo veel mogelijk voorkomen. Tegelijkertijd is het belangrijk om realistische streefcijfers met elkaar af te spreken. We willen meegaan met de wens van het ministerie om het aantal voortijdig schoolverlaters verder te verminderen, maar wij vinden het ook belangrijk dat scholen, gemeenten en het Doorstroompunt zich inzetten voor een doel dat haalbaar kan zijn.
Het vsv-cijfer is al relatief laag
We zagen het afgelopen jaar (wederom) een daling in het aantal nieuwe vsv’ers, tot 576 (oude definitie). Ons percentage nieuwe vsv’ers ligt onder dat van de benchmarkregio’s en nog iets onder het percentage dat verwacht kan worden op basis van het CBS-model.
De nieuwe vsv definitie kan vanaf schooljaar 2026-2027 zorgen voor een grotere toename van het aantal nieuwe vsv’ers dan de 28% die het ministerie nu verwacht. Vandaar dat wij de streefcijfers na een jaar aanpassen als blijkt dat de wijziging in vsv definitie in onze regio anders uitpakt dan de toename van 28%.
| 2021 (basis) | 2022 (basis) | 2026 | 2027 | 2028 | 2029 |
|---|---|---|---|---|---|
| 4.360 | 5.030 | 5.030 | 4.980 | 4.930 | 4.880 |
Het aantal jongeren van 15-27 jaar dat geen onderwijs volgt en niet werkt, daalt tussen 2026 en 2029 geleidelijk van circa 5.030 naar 4.880 in Zuid-Holland Noord. Dit is een realistische inschatting, rekening houdend met de beperkte beïnvloedbare doelgroep en arbeidsmarktontwikkelingen. Voorwaarde voor realisatie van de streefcijfers is dat maatschappelijke omstandigheden niet drastisch wijzigen en dat nieuwe CBS-cijfers over 2024 en 2025 geen verdere groei van de doelgroep laten zien. Op basis van de nulmeting uit het NEET-dashboard in 2026 kan aanpassing van de streefwaardes noodzakelijk zijn.
Bijlage 4 – De aansturing van het regionaal programma
Inleiding de nieuwe wet ‘van school naar duurzaam werk’
In de nieuwe wet wordt gekozen voor een combinatie van instrumenten die zowel bij de school, de gemeente als het Doorstroompunt worden belegd. Dit pakket zorgt voor een sluitende aanpak voor jongeren tot 27 jaar, waarbij veel aandacht is voor de samenwerking en verbinding tussen deze organisaties.
Deze vier samenhangende maatregelen zijn in het kort:
- Pro-scholen, vso-scholen en mbo-instellingen bieden aanvullende loopbaanbegeleiding;
- Doorstroompunten bieden jongeren zonder startkwalificatie tot 27 jaar begeleiding terug naar school of naar werk;
- Gemeenten bieden jongeren tot 27 jaar meer preventieve en passende ondersteuning;
- Partijen werken verplicht samen in een aanvullend regionaal programma.
De aansturing van het nieuwe programma, wordt in grote mate bepaald in de wet ‘van school naar duurzaam werk’. Onderstaand een overzicht van de bepalingen in de nieuwe wet, die betrekking hebben op de aansturing vanuit de verschillende partijen. Ook wordt stilgestaan bij de afspraken die gemaakt moeten worden over deze aansturing, waaronder over het bestuurlijk overleg.
Gezamenlijk regionaal programma
Aanvullend op de eigen taken komt er in de Doorstroompuntregio een gezamenlijk regionaal programma (voorheen genaamd: vsv-programma) gericht op het voorkomen van voortijdig schoolverlaten en de overgang van school naar duurzaam werk.
Dit programma bestaat uit de delen:
- Het maken van samenwerkingsafspraken rondom de aanvullende loopbaanbegeleiding, de taken van het Doorstroompunt en de taken van de gemeenten (bovenstaand 1 t/m 3).
- Het nemen van aanvullende maatregelen (waar budget voor nodig is van OCW) passend bij de regionale situatie.
Samenwerkingsafspraken & beleid
In aanvulling op de wettelijke samenwerkingsafspraken wordt verplicht dat scholen en Doorstroompunten in hun eigen beleid rekening met het regionaal programma moeten houden. Daardoor moeten organisaties hun inzet afstemmen op de inzet uit het regionale programma en de inzet van andere organisaties in de keten. Deze partijen zijn namelijk van elkaar afhankelijk.
Omdat de gemeenteraad bij verordening de regels vaststelt met betrekking tot het ondersteunen van jongeren op grond van het nieuwe artikel in de Participatiewet, kan deze verplichting niet worden opgenomen in de Participatiewet. De afstemming van het beleid van gemeenten op het regionaal programma is wel van belang. De centrumgemeente van de arbeidsmarktregio krijgt de rol (en budget) om hiervoor te zorgen.
Samenwerking bij totstandkoming en uitvoering regionaal programma
De totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma is volgens de nieuwe wet een gezamenlijke inspanning van in ieder geval de volgende 3 partijen:
- De contactschool van de Doorstroompuntregio
- De contactgemeente/het Doorstroompunt
- De centrumgemeente(n) van de arbeidsmarktregio(‘s) waarmee de Doorstroompuntregio overlapt.
Ieder levert een bijdrage vanuit zijn eigen kennis, doelgroep en netwerk. Elk van deze drie organisaties heeft in de regel een coördinator/programmamanager die in nauwe samenwerking betrokken is bij het regionaal programma.
Het regionaal programma moet passen bij het eigen beleid van scholen, Doorstroompunt en gemeenten. Het is aan de drie coördinerende partijen die samen het regionaal programma maken om de afstemming hierover te zoeken met hun eigen achterban.
De taken van de coördinerende partijen
De contactgemeente Leiden/Doorstroompunt
De contactgemeente Leiden is wettelijk verantwoordelijk voor de regie op de totstandkoming van het nieuwe regionale programma (procesregie). De contactgemeente wordt door de gemeenten in de Doorstroompunt-regio aangewezen en ontvangt het gemeentelijke deel van de middelen voor het regionaal programma en de middelen voor het Doorstroompunt. De contactgemeente is verantwoordelijkheid voor het doorzetten van deze middelen en de jaarlijkse (SiSa)rapportage (Op basis van de accountantsverklaring vanuit mboRijnland) over de middelen naar het ministerie.
De bestuurder van de contactgemeente Leiden is voorzitter van de Regiegroep vsv, het huidige bestuurlijke overleg.
De coördinerende rol in het programma, de rol in de tot standkoming van het programma en de uitvoering van het programma heeft de contactgemeente Leiden gedelegeerd naar Holland Rijnland, Regionaal Bureau Leerrecht. Deze rol is in Holland Rijnland belegd bij de Doorstroompunt coördinator/Programmamanager vsv. De Doorstroompunt coördinator is ook secretaris van de Regiegroep.
Het Doorstroompunt heeft verder als extra de taak de rapportages van de verschillende programmaonderdelen in orde te maken en de controle te doen op de effectiviteit van de maatregelen. Ook heeft het Doorstroompunt op dit moment de taak de jaarlijkse effectrapportage voor het ministerie van OCW op te stellen. In de nieuwe wet gaat ook de contactschool een bijdrage leveren aan de effectrapportage voor het ministerie.
De contactschool mboRijnland
Volgens de wet wordt de contactschool aangewezen door de andere scholen in de Doorstroompuntregio en doet ook namens hen de subsidieaanvraag bij DUO, op basis van het regionaal programma. In de vsv-regio Zuid Holland Noord is mboRijnland de contactschool, als grootste school in de regio.
De contactschool heeft een coördinerende rol in de tot standkoming en uitvoering van het programma, namens alle scholen in de regio. MboRijnland heeft een programmamanager vsv aangesteld voor deze rol.
In deze regio wordt tot op heden het gehele budget voor het regionaal programma belegd bij mboRijnland. Er is een gezamenlijk programma en een gezamenlijk budget, dat bestaat uit het gedeelte voor de contactgemeente Leiden én het gedeelte voor de contactschool mboRijnland. De contactschool heeft daarmee in het huidige programma een extra taak voor alle partijen: het voeren van de financiële administratie en de eindverantwoordelijkheid over het afsluiten van contracten. Waaronder soms ook formeel werkgeverschap.
De centrumgemeente van de arbeidsmarkt
De rol van de centrumgemeente is een nieuwe rol in het programma. De centrumgemeente zorgt ervoor dat de inhoud van het regionaal programma is afgestemd op de wijze waarop gemeenten uitvoering geven aan de ondersteuning van jongeren op grond van de Participatiewet en zorgt voor afstemming met de overige partners in de arbeidsmarktregio over de dienstverlening die daar geboden kan worden voor jongeren. De gemeente Leiden is als centrumgemeente van de arbeidsmarktregio Holland Rijnland aangewezen op grond van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen. Het programma richt zich op de doorstroompuntregio Zuid Holland Noord – deze regio valt bijna volledig in de arbeidsmarktregio Holland Rijnland. (De gemeente Voorschoten valt onder de arbeidsmarktregio Zuid-Holland Centraal. Zuid-Holland Centraal is verantwoordelijk voor medeondertekening van ons programma. Deze verantwoordelijkheid wordt gemandateerd aan centrumgemeente Leiden.)
De centrumgemeente vervult bij de totstandkoming en uitvoering van het regionale programma volgens de wet een dubbele rol (zie bijlage 1):
- De centrumgemeente is betrokken bij de totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma, het hiervoor benodigde regionaal bestuurlijk overleg en is mede-verantwoordelijk voor de op te stellen effectrapportage voor het ministerie. De centrumgemeente vertegenwoordigt bij deze taken mede de andere gemeenten uit de arbeidsmarktregio en ondersteunt de andere gemeenten bij de uitvoering van het regionale programma.
- De centrumgemeente stemt de wijze waarop uitvoering wordt gegeven aan de ondersteuning van jongeren op grond van de Participatiewet af op de inhoud van het regionaal programma en zorgt voor afstemming met de andere partners in de arbeidsmarktregio over de dienstverlening die daar geboden kan worden voor jongeren.
Meerjaren agenda
Ook is het logisch het verband te leggen met de meerjaren-agenda van het regionaal beraad. Hier nemen partijen aan deel die niet in de governance van het regionaal programma van de Doorstroompuntregio zitten, maar wel relevant zijn voor het ondersteunen van jongeren. Zoals het UWV, waarmee afspraken gemaakt kunnen worden over het ondersteunen/overdragen van jongeren zonder startkwalificatie die een werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben. En sociale partners of specifieke sectoren, waarmee afspraken gemaakt kunnen worden over instroom of over verdere bijscholing van jongeren zonder startkwalificatie via een leerwerktaject. Juist vanwege het belang van passende bijscholing voor duurzame re-integratie en een leven lang ontwikkelen van werkzoekenden en kwetsbare werkenden nemen ook SBB en een vertegenwoordiger namens het post-initieel onderwijs deel aan het regionaal beraad.
De linking-pin
De centrumgemeente vormt dus volgens de wet een belangrijke ‘linking-pin’ tussen de twee regionale governance-structuren.
Het bestuurlijk overleg van het nieuwe regionale programma
Volgens de nieuwe wet
In de wet staat opgenomen dat de partijen van het regionaal programma een bestuurlijk overleg voeren over het regionaal programma en de uitvoering van de daarin opgenomen maatregelen. In het bestuurlijk overleg moeten de drie partijen een gelijkwaardige stem hebben.
Dat betekent dat er een bestuurlijk overleg moet zijn met een goede/afgewogen afvaardiging van alle verschillende partijen: de scholen (vo en mbo), contactgemeente/Doorstoompunt en de centrumgemeente van de arbeidsmarktregio.
In het bestuurlijke overleg zitten minimaal de volgende bestuurlijke vertegenwoordigers:
- Bestuurder Contactgemeente Leiden/Doorstroompunt
- Bestuurder Contactschool mboRijnland
- Bestuurder Centrumgemeente Leiden
Verder zijn de volgende punten toegevoegd in de wet:
- de onderlinge samenwerking wordt betrokken bij het overleg. Dus de samenwerkingsafspraken die gemaakt worden in het programma.
- de domeinen ‘zorg’ en ‘sociaal domein’ zijn betrokken bij het regionaal overleg.
Uitwerking governancestructuur regionaal programma 26-29 dd. 24 november 2025
Het programma wordt uitgevoerd volgens een meerlaagse governancestructuur die zowel het strategische eigenaarschap als de praktische uitvoering borgt. In de structuur wordt daarnaast een verbinding gemaakt met de governancestructuur van de arbeidsmarktregio.
Bestuurlijk overleg / Regiegroep
- Verantwoordelijk voor totstandkoming en uitvoeren programma
- Visie en strategische doelen, de afspraken en voorwaarden, de begroting
Stuurgroep voortijdig schoolverlaten en duurzaam werk
- Vertalen van bestuurliike keuzes naar uitvoerbare opdrachten
- Bewaken van de voortgang van de uitvoering
- Voorbereiden voor/adviseren van de Regiegroep vsv en duurzaam werk, enz
- Per bestuurder 1 afgevaardigde + programmamanagers ~ gebalanceerde afvaardiging
Programmateam maatregelen (besteding budget OCW)
- Coordineren van de uitvoering van de verschillende maatregelen (contracten, financieel beheer, enz)
- Monitoring en communicatie
- Professionalisering binnen het programma
Programmawerkgroepen maatregelen
(Incl. netwerk coordinator provso)
- Ondersteunen VO
- Overstappen
- Ondersteunen MBO
- Schoolverlaten
- Duurzaam werk
- Nieuwe reguliere taken
- Vertalen van programmaplannen naar praktische aanpak: concreet uitwerken van maatregelen en acties.
- Ontwikkelen van instrumenten, pilots of interventies.
- Inhoudelijke expertise inbrengen.
- Signaleren van kansen, knelpunten en werkbare oplossingen.
- Uitvoeren en testen, aanreiken van verbeterpunten en prakijkvoorbeelden.
- Implementeren van afspraken in de praktijk.
- Monitoren &terugrapporteren.
- Versiag stuurgroep over voortgang, resultaten en knelpunten.
- Collega’s meenemen en enthousiasmeren.
Het bestuurlijk overleg/de Regiegroep vsv en duurzaam werk
Taken
- Het vaststellen van visie en strategische doelen, de afspraken en voorwaarden, de begroting in het regionaal programma vsv en duurzaam werk. Hierbij gaat het om de doelen in het voorkomen van voortijdig schoolverlaten en stimuleren van duurzaam werk voor jongeren tot 27 jaar binnen de doelen en de voorwaarden van OCW.
- Het bestuurlijk overleg/De Regiegroep vsv en duurzaam werk, legt de doelen en begroting vast in het regionaal programma dat voor 4 jaar wordt ingediend bij OCW. Budget wordt voor 4 jaar toegekend door OCW.
- Het bestuurlijk overleg/De Regiegroep vsv en duurzaam werk, wordt ieder halȠaar door de programmamanagers op de hoogte gesteld van de resultaten, voortgang, financiële rapportage en belangrijke trends of ontwikkelingen.
- Eventueel kan het programma door de bestuurders worden aangepast, op basis van de jaarlijkse analyse van de vsv cijfers en de situatie op de arbeidsmarkt, passend binnen de voorwaarden van OCW en de afspraken. OCW moet volgens de regeling toestemming geven voor aanpassingen.
Frequentie van het overleg: 2 maal per jaar. Indien nodig, kan het bestuurlijk overleg/de Regiegroep vsv en duurzaam werk vaker bij elkaar komen. Ook kan besloten worden tot extra schriftelijke afstemming.
Samenstelling
- Bestuurders gemeenten:
- Bestuurder contactgemeente (voorzitter)
- Bestuurder Doorstroompunt/RBL Holland Rijnland
- Bestuurder vsv-regio Zuid Holland Noord/Holland Rijnland
- Onderwijs bestuurders vo en mbo (3 bestuurders)
- Bestuurder arbeidsmarktregio Holland Rijnland (1 bestuurder)
A. Gemeentelijke bestuurders/Doorstroompunt
- Volgens de wet nemen de bestuurder van de contactgemeente en het Doorstroompunt deel aan het bestuurlijk overleg. Dat betekent dat de bestuurder van de contactgemeente Leiden (voorzitter) en de bestuurder Regionaal Bureau Leerrecht/Holland Rijnland deelnemen aan het overleg.
- De derde gemeentelijke bestuurder uit Holland Rijnland, wordt gekozen door de commissie maatschappij van Holland Rijnland uit een van de overige gemeenten uit de vsv-regio, zoals dit ook tot op heden gebruikelijk is (Vanwege de verkiezingen, voorjaar 2025, worden de gemeentelijke bestuurders van de nieuwe Regiegroep, naar verwachting zomer 2025 bekend.). Hierbij wordt rekening gehouden met de wenselijke & wettelijke domeinen die een plaats moeten hebben in het bestuurlijke overleg.
De gemeentelijke bestuurders vertegenwoordigen de gemeentelijke bestuurders van de 11 gemeenten in de vsv-regio (bestuurders uit de commissie maatschappij Holland Rijnland).
B. Onderwijs bestuurders
- Volgens de wet neemt de bestuurder van de contactschool deel aan het bestuurlijk overleg. Dat is in onze regio de bestuurder van mboRijnland.
- De overige mbo-instellingen in onze regio (ROC Mondriaan en LIS) nemen niet deel aan het bestuurlijke overleg, maar worden op onderdelen betrokken bij de uitvoering van het programma wanneer dat van toepassing is.
- Namens de pro/v(s)vo scholen participeren de bestuurder van het samenwerkingsverband Passend Onderwijs vo Leidse Regio en de bestuurder Samenwerkingsverband V(S)O Duin- en Bollenstreek in het bestuurlijke overleg. Zij hebben aangegeven elkaar eventueel ook te kunnen vervangen in het overleg.
De onderwijsbestuurders vertegenwoordigen de scholen in de vsv-regio.
C. Voorzitter arbeidsmarkt regio Holland Rijnland
- Voor de aansturing van het nieuwe programma neemt de vertegenwoordiger van de arbeidsmarktregio volgens de nieuwe wet deel aan het bestuurlijk overleg.
De voorzitter van de arbeidsmarktregio is vooral betrokken bij de inzet op het begeleiden naar duurzaam werk en de afstemming daarvan op de verschillende activiteiten in de arbeidsmarktregio (zie schema in de bijlage).
Ondersteuning van de Regiegroep vsv en duurzaam werk
De ambtelijke/uitvoerende ondersteuning van deze bestuurders is actief in de stuurgroep. Dat betekent dat er ook ambtelijk/uitvoerend voldoende capaciteit beschikbaar moet zijn.
Functionarissen uit de uitvoering, participeren in het bestuurlijk overleg als er een specifieke ondersteunende rol is binnen het overleg (notulist, secretaris, programmamanager) of om een toelichting te geven op agendapunten (op uitnodiging). Hiermee is er duidelijke scheiding tussen de ‘bestuurlijke rollen en de ambtelijke/uitvoerende rollen’ in het overleg.
Financieel
Alle wijzigingen in de begroting boven de € 60.000, – worden voorgelegd aan het bestuurlijk overleg/de Regiegroep vsv en duurzaam werk. Ook alle wijzigingen die de maatregelen/programmalijnen overstijgen, worden voorgelegd aan het bestuurlijk overleg.
Stuurgroep programma vsv en duurzaam werk
Taken
- Vertalen van bestuurlijke keuzes naar uitvoerbare opdrachten. Bewaken van de voortgang van de uitvoering van de verschillende maatregelen, voorstellen voorbereiden voor/adviseren van de Regiegroep vsv en duurzaam werk, eventuele aanpassingen voorstellen in het programma, verdeling deelbudgetten, stimuleren van verbinding, afstemming van maatregelen op reguliere taken en andersom. Signaleren wat in de praktijk wel/niet werkt en dat terugleggen bij de Regiegroep.
- Mandaat uitoefenen binnen afgesproken kaders: kleinere besluiten nemen die niet naar het bestuurlijk overleg hoeven.
- Knopen doorhakken over prioritering, inzet van capaciteit of praktische dilemma’s. Zorgen voor draagvlak bij de organisaties die je vertegenwoordigt.
- Afstemming met de Regiegroep.
Samenstelling
De stuurgroep heeft een compacte samenstelling waarbij leden in verhouding zijn en de verschillende partijen uit de Regiegroep worden vertegenwoordigd.
- Programmamanager vsv mboRijnland
- Doorstroom coördinator/programma manager vsv Holland Rijnland (secretaris Regiegroep & voorzitter overleg)
- Coördinator jeugdwerkloosheid (nieuwe rol, zie bijlage)
- Directeur mboRijnland College Startup, verantwoordelijk voor vsv
- Manager regionale uitvoering Holland Rijnland/RBL
- Enkele Beleidsadviseurs/coördinatoren (afhankelijk van de bestuurders in Regiegroep) Frequentie: 4 keer per jaar
Financieel
De stuurgroep krijgt mandaat voor financiële beslissingen tot € 60.000, – binnen de deelbudgetten van de programmalijnen van het programma. Voorwaarde is dat deze aanpassingen passen binnen de doelstellingen van de maatregelen, zoals vastgelegd in het programma. De stuurgroep kan beslissen tot het starten van pilots, als deze passen binnen de doelstellingen van maatregelen.
Programmateam maatregelen
Taken
- Coördineren van de uitvoering van de verschillende maatregelen, zorgen voor monitoring en communicatie.
- Dagelijkse aansturing van het programma/de projectleiders, incl. financieel beheer.
- Professionalisering binnen het programma.
Samenstelling
Programmamanagers & projectleiders, financieel beheer, data-analist (diverse overleggen).
De beleidsadviseur Leiden wordt betrokken bij het monitoroverleg.
Financieel
De programmamanagers krijgen het mandaat voor financiële beslissingen tot € 12.500, – binnen projecten.
Programmawerkgroepen
Taken
- Vertalen van programmaplannen naar praktische aanpak: concreet uitwerken van maatregelen en acties.
- Ontwikkelen van instrumenten, pilots of interventies.
- Inhoudelijke expertise inbrengen.
- Signaleren van kansen, knelpunten en werkbare oplossingen.
- Uitvoeren en testen, aanreiken van verbeterpunten en praktijkvoorbeelden.
- Implementeren van afspraken in de praktijk.
- Monitoren & terug rapporteren.
- Verslag uitbrengen aan de stuurgroep over voortgang, resultaten en knelpunten.
- Collega’s meenemen en enthousiasmeren.
Wat verwachten we van de leden
- Kennis van ervaring met de werkvloer/de uitvoering.
- Voldoende tijd om 4 keer per jaar actief participeren (voorbereiden, acties uitwerken enz.) in de werkgroep.
Werkgroepen
- Werkgroep ondersteunen op school vo
- Werkgroep overstappen
- Werkgroep ondersteunen op school mbo
- Werkgroep schoolverlaten
- Werkgroep duurzaam werk
- Werkgroep reguliere taken nieuwe wet
Samenstelling
Nader in te vullen, o.a. vanuit huidige werkgroep vsv, adviesgroep werk en projectleiders.
Verbinding governance structuur regionaal programma met de arbeidsmarktregio
Rol en taken van de nieuwe coördinator jeugdwerkloosheid (naam nog te bepalen)
Vertegenwoordiging & verbinding
- Vertegenwoordigt de centrumgemeente én de andere gemeenten binnen de arbeidsmarktregio in de stuurgroep, met name met betrekking tot afspraken op de reguliere taken van gemeenten op het gebied van de wet van school naar duurzaam werk (participatiewet art.7a).
- Verbindt gemeenten én regionale partners aan het programma (linking pin) door deelname aan/op de hoogte zijn van AO-Participatie, zodat afspraken en initiatieven op elkaar aansluiten en elkaar versterken.
- Zorgt voor wederzijdse informatie-uitwisseling en versterking van beide structuren.
Regionaal programma & uitvoering
- Coördineert samen met de programmamanagers de totstandkoming en uitvoering van het regionaal programma, met name op de onderdelen die gericht zijn op de arbeidsmarkt.
- Bewaakt de samenhang tussen de verschillende projecten en maatregelen.
Verantwoording & rapportage
- Levert input voor de jaarlijkse effectrapportage richting het ministerie, namens de doorstroompuntregio.
- Stimuleert de gemeenten input te leveren op eventuele aanvullende indicatoren voor het regionaal programma op het thema duurzaam werk (mits afgesproken) en zorgt dat afspraken hierover worden nageleefd.
Afstemming & samenwerking
- Stemt af met de meerjaren agenda van het regionaal beraad (waar ook partners deelnemen die niet in de governance van het regionaal programma zitten).
- Legt actief de verbinding met andere arbeidsmarktregio’s binnen het regionaal programma.
Ondersteuning gemeenten
- Ondersteunt de regio bij de aanpassing van de verordening betreffende de Participatiewet (artikel 7a).
Bijlage 5 – Afspraken tussen samenwerkingspartijen
In deze bijlage staan de belangrijkste afspraken tussen scholen, gemeenten en het Doorstroompunt. Volgens de wetgeving, worden deze afspraken toegevoegd aan het programma. Deze afspraken kunnen tijdens de looptijd van het programma aangepast en aangevuld worden, met in achtneming van de wettelijke bepalingen. Onderstaande de afspraken zoals vastgelegd in het Format van de aanvraag voor budget van het programma.
Afspraken tussen scholen, gemeenten en het Doorstroompunt
Het regionaal programma richt zich primair op specifieke doelgroepen jongeren die extra ondersteuning nodig hebben. Om de samenwerking helder te structureren, is per onderwijssector (vso/pro, mbo1 en mbo2-4) een stroomschema opgesteld. Die stroomschema’s brengen de reis van de jongere van school naar werk in kaart in relatie tot aanvullende loopbaanbegeleiding en nazorg. Hierin zijn de rollen en verantwoordelijkheden van alle betrokken partijen (gemeenten, mbo, vo, vso en zorgpartners) vastgelegd. De stroomschema’s en toelichting vindt u in bijlage 6.
Onderscheid tussen wettelijke verantwoordelijkheden en aanvullende maatregelen
Bij de taakverdeling wordt rekening gehouden met de reguliere wettelijke verantwoordelijkheden van scholen, doorstroompunt en gemeenten en de aanvullende maatregelen die voortkomen uit de regeling. Daarmee wordt geborgd dat er geen overlap of ‘gaten’ in de uitvoering ontstaan en dat iedere jongere tijdig passende ondersteuning ontvangt.
Verschillende soorten afspraken
In de regio zijn verschillende soorten afspraken gemaakt:
- Over de dienstverlening van de scholen in het kader van de nazorg van gediplomeerden van pro/vso, mbo1 en mbo2 en kwetsbare studenten van mbo3 en mbo4.
- Over de dienstverlening van het Doorstroompunt.
- Over de extra inzet van gemeenten. De gemeenten maken afspraken over de taken die zij doen in verband met extra ondersteuning voor kwetsbare jongeren, waarschijnlijk gecentreerd op 2 locaties in de regio.
- Over de manier waarop bovenstaande partijen met elkaar samenwerken en overleggen.
- Hoe en wanneer jongeren kunnen worden doorverwezen.
- Over het gebruik van het overgangsdocument.
- Over de verbinding tussen het Doorstroompunt en het werkcentrum.
De scholen gaan in beleid (en schoolgidsen) vastleggen (Op moment van schrijven van deze aanvraag, november 2025, zijn de scholen nog bezig dit beleid vast te leggen) welke inzet er wordt gedaan voor de aanvullende loopbaanbegeleiding, volgens de afspraken die er in de regio zijn gedaan (zie schema’s).
Het doel: een doorlopende ketenaanpak
De afspraken moeten ervoor zorgen dat er een doorlopende ketenaanpak is voor jongeren die diplomeren en voor jongeren die uitvallen uit het onderwijs. Deze ketenaanpak moet ervoor zorgen dat alle jongeren (die dat wensen) ondersteuning kunnen krijgen bij duurzame ontwikkeling/het vinden van duurzaam werk. Hierbij hebben de verschillende partners ieder een eigen rol. De afstemming tussen de partners en de samenwerking (dus deze ketenaanpak) zal regelmatig geëvalueerd worden. In de governancestructuur van het programma wordt een specifieke werkgroep ingericht die als taak heeft deze samenwerking te volgen en te optimaliseren. In deze werkgroep worden knelpunten besproken en oplossingen voorgesteld. Ook aan de hand van concrete casuïstiek.
Overgangsdocument
Een sluitende overdracht is cruciaal voor een succesvolle overgang van school naar werk of begeleiding. Daarom hebben de pro- en vso-scholen, mbo-instellingen, Regionaal Bureau Leerrecht/het Doorstroompunt en de gemeenten in de doorstroompuntregio gezamenlijk afgesproken te werken met een gestandaardiseerd overgangsdocument. Dit document wordt ingezet wanneer een jongere die in het bezit is van een diploma in navolging van een nazorgtraject vanuit de school wordt overgedragen aan de gemeente. Het overgangsdocument vindt u in bijlage 7.
Het document vormt het startpunt voor de bepaling van passende vervolgstappen. Voor jongeren met een taalachterstand wordt aanvullend een taalprofiel opgenomen, inclusief een advies voor voortzetting van taalondersteuning binnen het werk- of leertraject.
De afspraken over samenwerking tussen scholen en gemeenten zijn vastgelegd in bovengenoemd stroomschema. De afspraken zijn en worden samen met het overgangsdocument vastgesteld in de Regiegroep van 5 december 2025, als bijlage 6 van het uitgewerkte programma.
Afspraken tussen scholen en het Doorstroompunt over de afgifte van de mbo-verklaring
De contactschool zorgt voor de verstrekking van de mbo-verklaring conform de MORA-plaat of handboek: ‘afgeven mbo-verklaring’. In verband met de nieuwe wet wordt deze handleiding herzien. Het Doorstroompunt attendeert voortijdig schoolverlaters op de mogelijkheid een mbo-verklaring te krijgen. Bijvoorbeeld wanneer jongeren school hebben verlaten zonder afsluitend gesprek op school.
Afspraken tussen het Doorstroompunt en de gemeenten
De afspraken tussen het Doorstroompunt en de gemeenten, worden ook vastgelegd in bovengenoemde schema’s. Er worden zo nodig aanvullende afspraken gemaakt in verband met de privacy. De dienstverlening van het Doorstroompunt wordt vastgelegd in het nieuwe beleidsplan, in afstemming met de gemeenten. De afspraken over de inzet van de gemeenten (in verband met Participatiewet artikel 7a) zijn bestuurlijk ook in de 2 subregio’s vastgesteld. In bijlage 8 vindt u deze uitwerking.
Afspraken over laagdrempeligheid en toegankelijkheid van de ondersteuning
In deze paragraaf leest u welke afspraken we gemaakt hebben over de laagdrempeligheid en toegankelijkheid van de ondersteuning voor jongeren. Het gaat om jongeren die kampen met psychische, fysieke, financiële, criminele of andere problemen. Bij de afspraken is er aandacht voor samenwerking met de domeinen zorg, inkomen en veiligheid.
Reguliere inzet op het mbo
De verschillende mbo-scholen in de regio hebben een uitgebreide zorgstructuur waardoor er, naast de inzet in de klas van de leraar of mentor, extra ondersteuning is georganiseerd voor studenten met problemen, belemmeringen in het leren en andere zaken die de schoolloopbaan negatief beïnvloeden. Jongeren met financiële problemen worden ondersteund doordat er verschillende soorten van ondersteuning beschikbaar zijn voor leermiddelen (en laptops en dergelijke).
Inzet gemeenten
De gemeenten in de regio hebben inzet vanuit de jeugdhulp en/of vanuit de Wmo, gericht op jongeren met psychische of persoonlijke problematiek. Ook is er inzet vanuit schuldhulpverlening of snelle verwijzing naar de afdeling Werk en Inkomen. Deze inzet is gebonden aan de woongemeente van de jongere.
Regionale analyse
Uit onderzoek van LPBL is gebleken dat zowel op het mbo als binnen alle gemeenten in de regio, op elk vlak ondersteuning beschikbaar is.
Ketensamenwerking
Ook op managementniveau en bestuurlijk niveau trekken onderwijs- en sociaal-domeinpartners samen op. Onder andere in overlegtafels over jeugdhulp, onderwijs en arbeidsmarkt, om tot een sluitende keten voor jongeren te komen. Het bestuurlijk overleg van het programma is verbonden met het regionaal beraad én met de Regiegroep onderwijs jeugdhulp.
Er zijn afspraken gemaakt over ketensamenwerking tussen alle partijen. Het Doorstroompunt is regelmatig aanwezig op alle domeinen van de mbo-scholen in Leiden. Hierdoor wordt er intensief samengewerkt met de studieloopbaanbegeleiders of de zorgstructuur van het mbo. Ook wanneer er zorg is over een student, is er gemakkelijk overleg tussen beide mogelijk. Het Doorstroompunt staat weer in verbinding met de veiligheidsoverleggen van de verschillende gemeenten en van de afdelingen Werk en Inkomen.
Binnen het programma wordt warme doorverwijzing tussen professionals gestimuleerd, met als doel een hechte samenwerking en een beter afgestemde ondersteuning van jongeren over de domeinen heen. Kennis van het netwerk en de sociale kaart wordt via bijeenkomsten versterkt (professionalisering).
Aanvullende projecten vanuit de maatregelen
Op het mbo wordt daarnaast het project Hulp op School (HOS) ingezet (zie maatregel 3). Hierdoor is snelle en laagdrempelige ondersteuning mogelijk op school. Zo nodig, worden jongeren begeleid naar intensievere ondersteuning of hulpverlening. Er is ook ondersteuning bij financiële problemen.
Afspraken over verbetering van overgang naar mbo
In deze paragraaf leest u de afspraken over het verbeteren van de voorbereiding op en de overgang naar het mbo. Hierbij is speciale aandacht voor overstappende vso-leerlingen.
Warme overdracht
Met de scholen zijn afspraken over de warme overdracht van de overstappende v(s)o-leerlingen.
MboRijnland heeft een convenant met 15 pro- en vso-scholen. Een toelichting kunt u op de webpagina vinden. Daarnaast zijn er in onze regio samenwerkingsafspraken tussen vo-scholen en het mbo.
Binnen de regio werken ISK-scholen, mbo-instellingen en gemeenten samen om de overgang van ISK naar het mbo te verbeteren. MboRijnland en de ISK’s hebben hierover werkafspraken gemaakt. In 2026 worden deze herzien. De herziening richt zich op het actualiseren en verduidelijken van de afspraken. Daarbij gaat het onder meer om het vastleggen van een helder tijdspad voor het moment waarop mbo-instellingen aansluiten, het uniformeren van de informatieoverdracht tussen ISK en mbo, en het structureel toetsen van taal- en rekenniveau van jongeren. Daarnaast wordt verkend of het mogelijk is om het ontwikkelperspectief van nieuwkomers systematisch in beeld te brengen, zodat hun talenten en potentieel beter tot hun recht komen binnen het vervolgonderwijs. Binnen het regionaal programma streven we naar een soepele overgang. We kijken uit naar de nieuwe modelovereenkomst van OCW als richtinggevend kader voor nadere afspraken over taalondersteuning en warme begeleiding.
Passende stageplekken en leerbanen
In de kwaliteitsagenda besteedt mboRijnland expliciet aandacht aan het verkrijgen, inzetten en verbeteren van stage-/leerbanen (doelstelling 2.2.). De school werkt aan betere matching tussen student en leerbedrijf, actieve bestrijding van stagediscriminatie en professionalisering van stagebegeleiders. Zo heeft mboRijnland de instructie ‘BPV en studenten met een beperking’ opgesteld.
Om voldoende en passende plekken te garanderen, werkt mboRijnland structureel samen met SBB, gemeenten en het regionale bedrijfsleven. In deze samenwerking worden erkende leerbedrijven ondersteund bij het aanbieden van leerwerkplekken en worden gezamenlijk nieuwe trajecten ontwikkeld. Zo wordt de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt versterkt en de kans op voortijdig schoolverlaten verder verkleind. Een voorbeeld waar onderwijs, ondernemers en overheid samenwerken is het CIV Leven Lang Flex.
Monitoring rondom de overstap
Om de overdracht van alle v(s)o-leerlingen goed te laten verlopen, worden de leerlingen in het laatste jaar gevolgd door het vo, het Doorstroompunt én het mbo. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van Intergrip. Er zijn uitgebreide samenwerkingsafspraken vastgelegd om deze overstap te begeleiden. Hierin staat welke taken de samenwerkende partijen hebben op welk moment (vo-scholen, mbo, Doorstroompunt). De samenwerkende partijen monitoren de overstap op meerdere momenten in het jaar in een werkgroep. De afspraken zijn vastgelegd in het ‘mijlpalendocument’ van deze werkgroep.
Aanvullende projecten vanuit de maatregelen
Naast deze reguliere inzet zijn er vanuit de maatregelen projecten die de voorbereiding op en overgang naar het mbo verbeteren. Zoals het project Overstapcoaches. Ook is er een project waarin kwetsbare jongeren – waar nodig – extra ondersteuning krijgen in het eerste studiejaar.
Afspraken over het tegengaan van ongediplomeerde uitstroom naar werk
Zijn er signalen van jongeren die ongediplomeerd dreigen uit te stromen naar werk? Dan worden deze vroegtijdig opgepakt. Verschillende partijen in onze regio werken op dit gebied intensief samen. Met een succesvolle ketenaanpak – waarin ook maatwerk mogelijk is – zetten we zo veel mogelijk in op voortzetting van de schoolloopbaan. Onder andere door snelle, nieuwe heroriëntatie aan te bieden of andere ondersteuning, zoals snelle ondersteuning bij financiële problemen. We weten (ook uit recent onderzoek van Ingrado) dat ongediplomeerde uitstroom ontstaat door een verschillende factoren. Hierop zetten we in door de volgende afspraken:
- Met het mbo is afgesproken dat verzuim van minder- en meerderjarigen zo veel mogelijk identiek wordt tegengegaan. Dit betekent dat er meldingen van 16 uur in 4 weken gedaan worden door het mbo, ook van meerderjarige studenten. Vroege signalering zorgt ervoor dat we op tijd een passende interventie kunnen inzetten.
- Daarnaast is er overleg tussen mbo en Doorstroompunt als er eerder zorg is over aanwezigheid van studenten. De begeleidingsstructuur van het mbo werkt nauw samen met het Doorstroompunt. Dit is mogelijk doordat de consulenten van het Doorstroompunt met grote regelmaat werkzaam zijn op op de schoollocatie. School en Doorstroompunt kunnen gemakkelijk met elkaar overleggen. Op domeinen met extra zorg over schooluitval (blijkend uit de analyse van LPBL), is extra casuïstiek overleg georganiseerd tussen school en het Doorstroompunt.
- Met studenten, die liever willen werken, worden op maat afspraken gemaakt tussen school, het Doorstroompunt en de jongere/ouders. Daardoor blijven zij zo veel mogelijk aangehaakt op school. Voorbeelden van afspraken: bij onvoldoende motivatie plaatsnemen in een oriëntatieklas, gedeeltelijk werken toestaan en generieke vakken blijven volgen. Ook organiseren mbo en het Doorstroompunt een (laagdrempelige korte) training, waarbij jongeren een andere studiekeuze kunnen maken.
Jongeren die vooral om financiële redenen willen gaan werken, kunnen ondersteuning krijgen.
Bijvoorbeeld om de financiële zelfredzaamheid te vergroten, om schulden aan te pakken of om informatie te krijgen (bijvoorbeeld over welke ‘extra potjes’ er zijn). Vaak weten jongeren niet welke mogelijkheden er zijn. Soms maakt helpen bij een aanvraag studiefinanciering of aanspraak maken op ondersteuning voor een laptop al het verschil. De vroegtijdige interventie zorgt ervoor dat jongeren tijdig geïnformeerd of ondersteund kunnen worden. Eventueel kan ingezet worden op het vervolgen van de opleiding in een BBL-variant of via een andere vorm van werken en leren.
Afspraken over extra inzet voor jongeren zonder startkwalificatie
Bijscholing of omscholing van jongeren zonder startkwalificatie tijdens een baan moet mogelijk zijn. Bijvoorbeeld door middel van praktijkleren in het mbo of door middel van non-formele scholing met een branchewaardering zoals opgenomen in erkende sectorale ontwikkelpaden.
In ons programma zijn afspraken gemaakt om extra in te zetten: we maken werkgevers en jongeren enthousiast voor en bekend met Praktijkleren. Daarbij horen ook de voorbereidende stappen en de nazorg. Er wordt samengewerkt met SBB en andere partijen in de arbeidsmarkt (in de arbeidsmarktregio zijn ook specifieke projecten op dit thema gestart).
Aansluiting op de sectorale ontwikkelpaden gebeurt door aansluiting op de meerjaren agenda van de arbeidsmarktregio en connectie met het Regionaal Beraad.
In de governancestructuur van het programma wordt een werkgroep ‘duurzaam werk’ gevormd. Deze werkgroep bestaat uit professionals op dit thema (uitvoering en beleid). Zij geven input voor de uitvoering van de maatregel én geven input voor wenselijke extra inzet vanuit de arbeidsmarktregio. Dit zou er bijvoorbeeld de komende jaren voor kunnen zorgen dat er meer trajecten voor jongeren georganiseerd worden óf dat er meer bekendheid bij de partners in het programma is over bijvoorbeeld leerwerktrajecten of acties vanuit de arbeidsmarktregio.
Bijlage 6 Uitwerking samenwerking loopbaanbegeleiding in de regio
In de keten werken we samen om jongeren met een diploma te begeleiden in het kader van de Wet van school naar duurzaam werk. Over deze ketensamenwerking zijn afspraken gemaakt in de vsv- en Doorstroompunt-regio Zuid-Holland Noord. In deze bijlage vindt u de uitwerking van deze afspraken. De afspraken over de loopbaanbegeleiding/nazorg zijn gemaakt tussen de betreffende scholen in de regio, de gemeenten en het Doorstroompunt. De afspraken kunnen worden aangepast als dat nodig blijkt. Uiteraard houden we daarbij rekening met de wetgeving. Ook worden de afspraken regelmatig geëvalueerd in de werkgroep “nieuwe reguliere taken nieuwe wet” die zal starten in 2026.
De afspraken gaan over jongeren die wonen in de vsv/ Doorstroompunt-regio. Het gaat om jongeren uit de gemeenten: Kaag en Braassem, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude, Hillegom, Lisse, Teylingen, Voorschoten, Katwijk en Noordwijk. Jongeren die in de regio wonen, maar buiten de regio naar school gaan, kunnen uiteraard ook verwezen worden naar het Doorstroompunt of naar de gemeenten voor extra begeleiding. Ook voor de ondersteuning van gemeenten voor deze jongeren, kunnen deze afspraken als richtlijn gelden. In deze bijlage zetten we per schoolsoort de betreffende afspraken in een schema met toelichting. In bijlage 7 vindt u het Overgangsdocument. De afspraken in deze bijlage zijn geüpdatet op 3 december 2025.
Nieuwe taken
Nazorg provso naar gemeenten en monitoring Doorstroompunt
Het schema hieronder toont de overdracht voor (ex-)studenten met diploma die geen vervolgopleiding gaan doen. Daarin wordt een aantal ‘momenten’ genoemd die aanleiding (kunnen) zijn voor overdracht naar of afstemming met gemeenten. De doorzichtige pijlen zijn de afstemmomenten. Daarna vindt eventueel overdracht plaats.
Toelichting bij schema provso
Inleiding
Deze toelichting heeft betrekking op de verwijzing van jongeren vanuit het provso naar de begeleiding van gemeenten (Afhankelijk van de woongemeente van de jongere, wordt de begeleiding door de gemeente/een samenwerking van verschillende gemeenten georganiseerd. Bij contactmogelijkheden staan de verschillende mailadressen.) in het kader van de Wet van school naar duurzaam werk, vanaf 1 januari 2026. Het gaat om jongeren die wonen in de gemeenten uit de vsv-regio Zuid-Holland Noord. Dit betreft de volgende gemeenten: Kaag en Braassem, Voorschoten, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude, Katwijk, Noordwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen.
Algemeen
Dit schema heeft betrekking op jongeren afkomstig van het provso met uitstroom arbeid, beschut werk en arbeidsmatige dagbesteding waar potentieel te ontwikkelen arbeidsvermogen ligt. Dit schema is bedoeld om ketenpartners die zich inzetten voor duurzaam werk voor jongeren inzicht te geven welke organisatie wanneer aan zet is met betrekking tot de loopbaanbegeleiding van jongeren. Begeleiding kan bestaan uit:
- Monitoren/ in beeld brengen van de jongere;
- Contact zoeken met de jongere;
- Jongere begeleiden;
- Jongere overdragen aan partner voor begeleiding.
Het schema is een vertaling van de nazorg- en begeleidingstaken van verschillende organisaties (gemeenten, scholen, doorstroompunt) die volgt uit het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk. Vrij vertaald is het doel van de wet jongeren die (statistisch gezien) moeilijk duurzaam aan het werk komen en blijven, te helpen in de begeleiding naar duurzaam werk. Verschillende maatschappelijke organisaties (scholen, gemeenten en doorstroompunt) krijgen een wettelijke verplichting jongeren met (lichte) arbeidsondersteuning te helpen een baan te vinden en te houden.
Geen vervolgonderwijs
Het gaat in alle gevallen om provso-leerlingen die geen inschrijving hebben voor vervolgonderwijs.
Vrijwillig
Aanvullende loopbaanbegeleiding in welke vorm dan ook is voor een jongere altijd vrijwillig. Het is belangrijk dat begeleiding vanuit school dit vrijwillige karakter behoudt. Als de jongere geen uitkering met daarmee gepaarde verplichtingen heeft, zijn er geen dwingende mogelijkheden de jongeren toch in zijn/haar loopbaan te begeleiden. Het is dan de eigen keuze van de jongere het aanbod voor loopbaanbegeleiding/nazorg wel of niet aan te nemen. De wet schetst geen resultaatverplichting, maar alleen een inspanningsverplichting waarbij proactief een individueel aanbod voor loopbaanondersteuning of nazorg gedaan moet worden door de organisatie die de regie heeft. Een jongere die het eerste jaar geen prijs stelt op de begeleiding, wordt – conform de wet – in het tweede jaar opnieuw benaderd met een aanbod voor begeleiding.
Stap 1: Tijdens school
Begeleiding richting duurzaam werk begint al tijdens school en op dit moment is de school ook verantwoordelijk voor eventuele studie- en loopbaanbegeleiding. Daarin wordt individueel met de jongere gekeken hoe de jongere straks richting duurzaam werk begeleid kan worden.
Bij sommige jongeren is op school al gebleken dat er structurele begeleiding nodig zal zijn op de werkplek. Ook kan het zijn dat de school heeft vastgesteld dat de jongeren een zwaardere nazorg/loopbaanbegeleiding nodig heeft dan de school kan bieden. In deze situatie kan de school al contact opnemen met de gemeente nog voordat de jongere het diploma heeft gehaald. Dit gebeurt in maart. Het resultaat hiervan kan zijn dat de gemeente samen met school, de jongere en eventueel de ouders in gesprek gaat. Bijvoorbeeld om toelichting te geven over loopbaaninstrumenten zoals jobcoaching, het doelgroepenregister, of (empowerment)trainingen. School kan met het Doorstroompunt (al aanwezig op school) overleggen als er twijfel is over deze vroegtijdige doorverwijzing.
Stap 2: Jongere heeft een baan en gaat van school
Nadat de jongere met een baan van school gaat, ligt de regie over de loopbaanbegeleiding voor de jongere nog steeds bij school. De regie blijft tot 2 jaar na diplomering bij school liggen in de vorm van nazorgplicht, behalve als er sprake is van een bijzondere situatie (zie hieronder). Die nazorgplicht van scholen bestaat uit lichte vormen van loopbaanondersteuning: cv opstellen, zoeken naar vacatures, beroepskeuzetesten, voorbereiding op een sollicitatiegesprek. De nazorgplicht kan ook bestaan uit monitoring en lichte begeleiding bieden bij een jongere of werkgever van een jongere op het moment dat de jongere werk heeft. Als de school denkt dat deze ondersteuning doorgezet moet worden, vindt er na 21 maanden in samenspraak met de jongere een overdracht plaats (zie overgangsdocument).
Bijzondere situaties
Situatie 1: Jongere verliest baan tijdens de 2 jaar nazorg vanuit school
Als de jongere de baan verliest in de 2 jaar na diplomering, heeft de school nog een nazorgplicht om de jongere opnieuw te begeleiden richting duurzaam werk. De jongere kan na het verlies van de baan hulp vragen bij de school. De school monitort vervolgens wat nodig is en betrekt de gemeente of het doorstroompunt waar nodig. Dat is met name het geval als het de jongere niet lukt om duurzaam aan het werk te komen of blijven. Als de jongere meer ondersteuning nodig heeft dan de school kan bieden, kan school de gemeente vragen de regie over de begeleiding van de jongeren op zich te nemen. Dat gebeurt door middel van een overgangsdocument en altijd met toestemming van de jongere zelf. Is er twijfel of het nodig is om de jongere over te dragen aan de gemeente? Dan kan de school altijd overleggen met de gemeente.
Situatie 2: Tijdens school of na uitstroom met arbeid is gebleken dat de jongere extra begeleiding nodig heeft met zwaardere loopbaaninstrumenten die (alleen) de gemeente kan bieden (doelgroepregister, beschut werk, jobcoach, loonkostensubsidie)
In de ideale situatie is er al voor uitstroom contact geweest tussen de gemeente en school over het arbeidsperspectief van deze jongere. Als de school heeft vastgesteld dat de jongeren een zwaardere nazorg/loopbaanbegeleiding nodig heeft dan de school kan bieden, of als loopbaaninstrumenten van de gemeente nodig zijn, neemt school contact op met de gemeente. School kan dan de gemeente vragen de regie over de begeleiding van de jongeren op zich te nemen. Dat gebeurt door middel van een overgangsdocument en altijd met toestemming van de jongere zelf. In dit geval houdt de nazorgplicht van de school op en gaat de nazorgplicht over naar de individuele gemeente waar de jongere woont.
Het is ook mogelijk dat de jongere veel en vaak lichte begeleiding nodig heeft en dat het om die reden niet meer haalbaar is om de benodigde begeleiding te bieden voor de school. Ook dan kan de school de gemeente verzoeken de regie over te nemen door middel van het overgangsdocument.
Situatie 3: Jongere komt in beeld bij andere instantie
Het kan zo zijn dat een jongere tot maximaal 2 jaar na diplomering in beeld komt bij een andere instantie. Bijvoorbeeld omdat de jongere een uitkering heeft aangevraagd en toegekend heeft gekregen bij de gemeente of het UWV. De wettelijk verplichte ondersteuning vanuit school houdt dan niet automatisch op. Soms vindt de jongere de begeleiding vanuit school juist heel fijn. Als er sprake is van een uitkering, is het belangrijk dat er overleg is tussen de school en de uitkerende instantie over het vervolg. Het resultaat hiervan kan zijn dat de uitkerende instantie de begeleiding volledig op zich neemt, maar dat hoeft niet per se het beste te zijn in de individuele situatie. Belangrijk is dat begeleiding vanuit school altijd een vrijwillig karakter heeft en nooit onderdeel is van de voorwaarden van de uitkerende instantie.
Situatie 4: Jongere wil geen nazorg meer van provso-school
Wil een jongere geen nazorg meer van school? Dan kan school deze jongere, als die dat wil, doorverwijzen naar het Doorstroompunt (DSP) voor begeleiding.
Situatie 5: Jongere is inburgeringsplichtig
Vermoedt de school dat een jongere inburgeringsplichtig wordt door het behalen van het uitstroomprofiel arbeid of dagbesteding (diploma praktijkonderwijs of vso)? Dan is het zeer raadzaam deze jongere te verwijzen naar de gemeente. Het gaat vaak om jongeren die jonger zijn dan 18 jaar, een nationaliteit van buiten de Europese Unie (niet uitsluitend) hebben en praktijkonderwijs of vso afronden.
Doorstroompunt
Het Doorstroompunt heeft een rol in de monitoring en begeleiding van pro/vso-jongeren totdat zij 27 jaar zijn. De begeleiding van het Doorstroompunt is altijd op vrijwillige basis. De actieve monitoring en begeleiding start vanaf het moment dat de nazorg van school stopt. Dus in principe 2 jaar nadat het diploma behaald is. Dit is het uitgangspunt, omdat altijd voorkomen moet worden dat jongeren van verschillende kanten begeleiding aangeboden krijgen en daardoor onduidelijkheid ontstaat wie verantwoordelijk is voor de begeleiding.
Het Doorstroompunt benadert de jongeren zonder startkwalificatie en tot een bepaalde inkomensgrens. De jongeren worden benaderd (bellen of appen) en eventueel thuis bezocht. Het Doorstroompunt biedt begeleiding naar werk, school of andere ondersteuning. Mocht deze begeleiding onvoldoende zijn, dan kan het Doorstroompunt de gemeente inschakelen.
De school kan, na toestemming van de jongere, jongeren verwijzen naar gemeente of het Doorstroompunt. Hierover is dan overleg (warme overdracht).
Praktische uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk
In de uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk streven we zo veel mogelijk naar uniformiteit. Met Voorschoten worden specifieke afspraken gemaakt. Voorschoten is namelijk de enige gemeente die tot een andere arbeidsmarktregio behoort (Zuid-Holland Centraal).
Contactmogelijkheden
Afgesproken is dat de aanmeldingen vanuit school in het kader van deze wet terechtkomen bij de 4 subregionale instanties: DZB voor Leidse Regio (in samenwerking met Jongerenteam Leiden), Provalu voor de Kust-, Duin- en Bollenstreek en Jongerenteam Alphen voor de gemeente Kaag en Braassem.
- Aanmeldingen vanuit scholen vanuit hun nazorgplicht voor Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude via het e-mailadres aanmeldingen@dzb.nl. DZB pakt de eerste aanmeldingen samen met het jongerenteam Leiden op.
- Aanmeldingen vanuit scholen vanuit hun nazorgplicht voor Noordwijk, Katwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen bij het jongerenpunt Provalu Via het e-mailadres info@jongerenpuntkdb.nl.
- Aanmeldingen vanuit scholen vanuit hun nazorgplicht voor Kaag en Braassem bij Jongeren Informatiepunt Alphen via jip@alphenaandenrijn.nl.
- De verwijsmogelijkheden voor jongeren woonachtig in Voorschoten worden toegevoegd.
Overgangsdocument
Op het moment dat de regie over de loopbaanbegeleiding van een jongere overgedragen wordt van school naar de gemeente, gebruikt school hiervoor een overgangsdocument. Een jongere wordt alleen overgedragen als hij/zij hier zelf toestemming voor geeft. Het wetsvoorstel bepaalt dat het overgangsdocument hetzelfde moet zijn in de hele vsv-regio. Het overgangsdocument heeft verschillende doelen. Allereerst is het overgangsdocument belangrijk om basale informatie over de jongere zoals contactgegevens, naam, adres, stage-ervaring, werkervaring en de betrokken begeleider op school door te geven. Maar het overgangsdocument is ook bedoeld om de talenten, positieve eigenschappen en ondersteuningsbehoefte van de jongeren in beeld te hebben. Zo hoeft de jongere dit niet zelf tijdens een gesprek met de gemeente opnieuw te vertellen. School vult het overgangsdocument samen met de jongere in.
Privacy
De wet schetst de mogelijkheid de gegevens van jongeren op hoofdlijnen uit te wisselen tussen de verschillende instanties. Door middel van het overgangsdocument geeft de jongere toestemming zijn/haar gegevens te delen met de gemeente.
Mbo 1
Het schema hieronder toont alleen de overdracht voor (ex-)studenten met diploma die geen vervolgopleiding gaan doen. Daarin wordt een aantal ‘momenten’ genoemd die aanleiding (kunnen) zijn voor overdracht naar of afstemming met gemeenten. Jongeren met een mbo 1-diploma zijn voortijdig schoolverlater, waardoor zij tot 27 jaar ook gemonitord worden door het Doorstroompunt. Hieronder staat de route van deze jongeren en de inzet van de verschillende organisaties.
Toelichting bij schema mbo 1 – nazorg gediplomeerden versie 20251203
Inleiding
Deze toelichting heeft betrekking op de verwijzing van gediplomeerde jongeren van mbo1, naar de begeleiding van gemeenten (Afhankelijk van de woongemeente van de jongere, wordt de begeleiding door de gemeente zelf of door een samenwerking van verschillende gemeenten georganiseerd. Bij contactmogelijkheden staan de doorverwijsmogelijkheden en de mailadressen. ) in het kader van de Wet van school naar duurzaam werk, vanaf 1 januari 2026. Het gaat om jongeren die wonen in de gemeenten uit de vsv-regio Zuid-Holland Noord. Dit gaat om de volgende gemeenten: Kaag en Braassem, Voorschoten, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude, Katwijk, Noordwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen.
Algemeen
Dit schema is bedoeld om ketenpartners in de vsv-regio Zuid-Holland Noord, die betrokken zijn bij de taken in verband met de Wet van school naar duurzaam werk, inzicht te geven in welke organisatie wanneer aan zet is met betrekking tot de loopbaanbegeleiding van de gediplomeerde tot 27 jaar. Als basis voor deze toelichting gaan we uit van een gediplomeerde van mbo 1 vanuit MboRijnland, maar het schema kan ook toegepast worden voor mbo 1-gediplomeerden van andere mbo-scholen.
Het schema is een vertaling van de nazorg- en begeleidingstaken van verschillende organisaties (gemeenten, scholen, doorstroompunt) die volgt uit de wetgeving en de afspraken die binnen de regio gemaakt zijn. Een mbo 1-dipoma is nog geen startkwalificatie. Het gaat in alle gevallen om mbo1-gediplomeerden die geen inschrijving hebben voor vervolgonderwijs.
Loopbaanbegeleiding in welke vorm dan ook, is voor een jongere die ouder is dan 18 jaar altijd vrijwillig. Als de jongere geen uitkering met daarmee gepaarde verplichtingen heeft, zijn er geen dwingende mogelijkheden de jongere toch in zijn/haar loopbaan te begeleiden. Het is de eigen keuze van de jongere het aanbod voor loopbaanbegeleiding/nazorg wel of niet aan te nemen. De wet schetst geen resultaatverplichting, maar alleen een inspanningsverplichting waarbij proactief een individueel aanbod voor loopbaanondersteuning of nazorg gedaan moet worden door de organisatie die de regie heeft.
Stap 1: Tijdens school/ voor diplomering
Begeleiding richting duurzaam werk begint al tijdens school. Het mbo biedt studie- en loopbaanbegeleiding. Vanaf de start van de opleiding heeft ook het Doorstroompunt een rol bij verzuim óf als er zorg is over deze studenten. Het Doorstroompunt werkt hierin intensief samen met het mbo.
Preventieve inzet op de entree-opleiding
Lijkt een jongere op de entree-opleiding niet op zijn plek lijkt te zijn (ter beoordeling van het mbo in overleg met het Doorstroompunt)? Dan biedt het Doorstroompunt extra begeleiding aan richting een ander traject dat gericht is op duurzame ontwikkeling van de jongere. Deze begeleiding is bedoeld voor jongeren die slechts enkele maanden op het mbo zitten, maar niet op hun plek. Bijvoorbeeld inburgeraars die ondanks het advies van de ISK gestart zijn met een mbo-opleiding. Voor jongeren die de entree-opleiding al langer volgen, met verwachting dat zij een diploma kunnen behalen, wordt door de school loopbaanbegeleiding ingezet. Dit houdt in ieder geval in dat er 3 maanden voor het behalen van de opleiding, een toekomstgesprek wordt gevoerd.
Toekomstgesprekken
Jongeren die, naar verwachting, binnen enkele maanden hun mbo 1-diploma halen, krijgen bij mboRijnland een toekomstgesprek aangeboden. Daarin wordt individueel, samen met de jongere, bekeken hoe de jongere straks richting duurzaam werk begeleid kan worden door het mbo. Eventueel wordt het omzetten van MBO Bol naar BBL bekeken in de toekomstgesprekken. Dat kan het geval zijn als de jongere het niet zo goed doet op school, maar juist wel heel goed op de werkvloer. Vaak gaat het bijvoorbeeld ook om een (gemeentelijk) traject bij DZB, Provalu of Rijnvicus gericht op duurzaam werk. Ook kan het gaan om een (snellere) start van de inburgering of begeleiding naar werk door het Doorstroompunt. Ten slotte kan de school waar nodig een gesprek initiëren over het doelgroepregister.
Overdracht naar Doorstroompunt/gemeenten
Bij sommige jongeren is al bij school bekend dat de jongere structureel begeleiding nodig zal hebben op de werkplek. Als ingeschat wordt dat de ondersteuning op school ontoereikend zal zijn, kan de school al contact opnemen met het Doorstroompunt nog voor de jongere het diploma heeft gehaald.
School overlegt met het Doorstroompunt (al aanwezig op school) over deze vroegtijdige doorverwijzing. Het Doorstroompunt werkt samen met de DZB, Provalu en Rijnvicus (gemeenten) en de gemeente Voorschoten, om passende begeleiding te kunnen bieden. Het kan zijn dat de begeleiding uitgevoerd wordt door Provalu, DZB of Rijnvicus. Dit gebeurt alleen met instemming van de jongere.
Het Doorstroompunt blijft de jongeren in principe monitoren totdat de jongere 27 jaar wordt of toch een startkwalificatie behaalt.
Stap 2: Jongere heeft het mbo 1-diploma gehaald en gaat de arbeidsmarkt op
Nadat de jongere het mbo 1-diploma heeft gehaald, ligt de regie over de loopbaanbegeleiding voor de jongere nog steeds bij school. De regie blijft gedurende 1 jaar na diplomering bij de school liggen in de vorm van nazorgplicht, behalve als er sprake is van een bijzondere situatie (zie hieronder). Die nazorgplicht van scholen bestaat uit lichte vormen van loopbaanondersteuning: cv opstellen, zoeken naar vacatures, beroepskeuzetesten, voorbereiding op een sollicitatiegesprek. Ook kan de nazorgplicht bestaan uit het halen van bijvoorbeeld een praktijkverklaring. Daarnaast kan de nazorgplicht bestaan uit monitoring en lichte begeleiding bieden bij een jongere of werkgever van een jongere op het moment dat de jongere werk heeft gevonden.
Bijzondere situaties
Situatie 1: Tijdens school of vlak na diplomering is gebleken dat de jongere extra begeleiding nodig heeft
Als de school heeft vastgesteld dat de jongeren een zwaardere nazorg/loopbaanbegeleiding nodig heeft dan de school kan bieden, kan school het Doorstroompunt vragen de regie over de begeleiding van de jongeren op zich te nemen. Dat gebeurt door middel van een overgangsdocument (zie hieronder) en altijd met toestemming van de jongere zelf. In de ideale situatie is er al voor diplomering contact geweest tussen het Doorstroompunt en school over het arbeidsperspectief van deze jongere (zie bovenstaand).
Situatie 2: Jongere komt in beeld bij andere instantie
Het kan zo zijn dat een jongere tot maximaal 1 jaar na diplomering in beeld komt bij een andere instantie. Bijvoorbeeld omdat deze een uitkering heeft aangevraagd en toegekend heeft gekregen bij de gemeente of het UWV. De wettelijk verplichte ondersteuning vanuit school houdt dan niet automatisch op. Soms vindt de jongere de begeleiding vanuit school juist heel fijn. Als er sprake is van een uitkering, is het belangrijk dat er overleg is tussen de school en de uitkerende instantie over het vervolg. Het resultaat hiervan kan zijn dat de uitkerende instantie de begeleiding volledig op zich neemt, maar dat hoeft niet per se het beste te zijn in de individuele situatie. Belangrijk is dat begeleiding vanuit school altijd een vrijwillig karakter heeft en nooit onderdeel is van de voorwaarden van de uitkerende instantie.
Situatie 3: De jongere is inburgeringsplichtig
Onder de 18 jaar met een nationaliteit van buiten de Europese Unie (niet uitsluitend) kan het zijn dat een jongere bij het behalen van een mbo-niveau 1 diploma inburgeringsplichtig wordt. Het is raadzaam de jongere te verwijzen naar de gemeente als er vermoedens zijn dat dit het geval is. Statushouders boven de 18 jaar zijn sowieso inburgeringsplichtig, ook al tijdens de opleiding. Het entree-onderwijs is geen vrijstellende opleiding voor de inburgering. Het is daarom zeer belangrijk direct te schakelen met de inburgering.
Situatie 4: Jongere wordt 27 binnen 1 jaar na diplomering.
Als de jongere 27 jaar is geworden, stopt de nazorgplicht van de mbo-school. In dat geval wordt de jongere verwezen naar reguliere dienstverlening. Bijvoorbeeld van het werkcentrum of de gemeente.
Stap 3: Een jaar na diplomering geen/weinig werk
Het is gebruikelijk dat jongeren een maand na diplomering nog geen werk hebben gevonden. Dat is ook niet erg. Het is belangrijk een balans te vinden tussen de jongere de tijd te gunnen zelf aan de slag te gaan en in deze periode ondersteuning naar duurzaam werk te bieden als jongeren hierom vragen. Als jongeren echter 9 maanden na diplomering nog steeds niet aan het werk zijn, kan het zijn dat er omstandigheden zijn die hen belemmeren werk te vinden of te houden. De nazorgplicht van school houdt 1 jaar na diplomering op. In dit geval zoekt de school, enkele maanden eerder, afstemming met het Doorstroompunt om een warme overdracht voor te bereiden. Ook hiervoor wordt gebruikgemaakt van het overgangsdocument. Het resultaat hiervan is dat het Doorstroompunt de loopbaanbegeleiding overneemt en dat de nazorgplicht voor de school ophoudt.
Het Doorstroompunt monitort sowieso totdat de jongere 27 jaar is of een startkwalificatie behaalt. Doorstroompunt biedt begeleiding aan, in samenwerking met Provalu, DZB en Rijnvicus.
Overleg
Mbo en Doorstroompunt kunnen voor en na diplomering overleggen en afspreken wie de begeleiding/nazorg na diplomering op zich neemt. Het Doorstroompunt heeft de taak om jongeren zonder startkwalificatie te monitoren en begeleiding aan te bieden tot dat zij 27 jaar worden. In principe biedt het mbo de nazorg voor deze groep aan. Het Doorstroompunt benadert deze groep tijdens de nazorgperiode niet zonder overleg met het mbo.
Mbo en Doorstroompunt zijn van plan een overleg te organiseren waarin de begeleiders (adviseurs/consulenten) ingewikkelde casuïstiek (anoniem) met elkaar kunnen bespreken. Het is niet de bedoeling dat in dit casuïstiekoverleg álle jongeren besproken worden die door de school aangemeld worden in het kader van de nazorgplicht richting duurzaam werk. Doel van het overleg is juist gezamenlijke ontwikkeling, deskundigheidsbevordering en het versterken van de samenwerking.
Praktische uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk
In de uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk streven we zo veel mogelijk naar uniformiteit, in ieder geval tussen de gemeenten binnen vsv-regio Zuid-Holland Noord.
Contactmogelijkheden
Vanuit de Wet van school naar duurzaam werk volgt dat het Doorstroompunt een rol heeft om jongeren zonder startkwalificatie te helpen richting een startkwalificatie dan wel geschikte werkplek. In onze regio is afgesproken dat mbo1- gediplomeerden tot 27 jaar vanuit de nazorgplicht aangemeld worden bij het Doorstroompunt. In overleg met het Doorstroompunt wordt dan gekeken of het Doorstroompunt de jongere kan helpen of dat de jongere meer begeleiding nodig heeft dan ofwel de school ofwel het Doorstroompunt kan bieden. In dat geval wordt de jongere aangemeld bij de gemeenten (zie onderstaand). Het Doorstroompunt is al aanwezig op de school en kan eventueel adviseren over aanmelding bij de gemeente aan de scholen.
Afgesproken is dat de aanmeldingen vanuit school in het kader van deze wet terechtkomen bij het Doorstroompunt via de contactpersonen op school (warme overdracht).
Overgangsdocument
Op het moment dat de regie over de loopbaanbegeleiding van een jongere overgedragen wordt van school naar de gemeente, gebruikt school hiervoor een overgangsdocument. Een jongere wordt alleen overgedragen als hij/zij hier zelf toestemming voor geeft. Het wetsvoorstel bepaalt dat het overgangsdocument hetzelfde moet zijn in de hele arbeidsmarktregio. Het overgangsdocument heeft verschillende doelen. Allereerst is het overgangsdocument belangrijk om basale informatie over de jongere zoals contactgegevens, naam, adres, stage-ervaring, werkervaring en de betrokken begeleider op school door te geven. Maar het overgangsdocument is ook bedoeld om de talenten, positieve eigenschappen en ondersteuningsbehoefte van de jongeren in beeld te hebben. Zo hoeft de jongere dit niet zelf tijdens een gesprek met de gemeente opnieuw te vertellen. School vult het overgangsdocument samen met de jongere in.
Privacy
De wet schetst de mogelijkheid de gegevens van jongeren op hoofdlijnen uit te wisselen tussen de verschillende instanties. Door middel van het overgangsdocument geeft de jongere toestemming zijn/haar gegevens (en extra informatie) te delen met de gemeente. De verschillende overdrachtsmomenten in het schema worden nog met de privacydeskundigen doorgenomen en verder uitgewerkt.
Mbo 2 / kwetsbaren mbo 3 en mbo 4
Het schema hieronder toont alleen de overdracht voor (ex-)studenten met diploma die geen vervolgopleiding gaan doen. Daarin wordt een aantal ‘momenten’ genoemd die aanleiding (kunnen) zijn voor overdracht naar of afstemming met gemeenten. De doorzichtige pijlen zijn de afstemmomenten. Daarna vindt eventueel overdracht plaats.
Toelichting bij schema mbo 2/ kwetsbare mbo 3 en mbo 4
Inleiding
Deze toelichting heeft betrekking op de verwijzing van gediplomeerde jongeren van mbo 3 en mbo 4, naar de begeleiding van gemeenten (Afhankelijk van de woongemeente van de jongere, wordt de begeleiding door de gemeente zelf of door een samenwerking van verschillende gemeenten georganiseerd. Bij contactmogelijkheden staan de doorverwijsmogelijkheden en de mailadressen. ) in het kader van de Wet van school naar duurzaam werk, vanaf 1 januari 2026. Het gaat om jongeren die wonen in de gemeenten uit de vsv-regio Zuid-Holland Noord. Dit gaat om de volgende gemeenten: Kaag en Braassem, Voorschoten, Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude, Katwijk, Noordwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen.
Algemeen
Dit schema is bedoeld om ketenpartners die zich inzetten voor duurzaam werk voor jongeren inzicht te geven in welke organisatie wanneer aan zet is met betrekking tot de loopbaanbegeleiding van de gediplomeerde tot 27 jaar. Het schema is een vertaling van de nazorg- en begeleidingstaken van verschillende organisaties (gemeenten, scholen, doorstroompunt) die volgt uit het wetsvoorstel van school naar duurzaam werk. Vrij vertaald is het doel van de wet jongeren die (statistisch gezien) moeilijk duurzaam aan het werk komen en blijven, te helpen in de begeleiding naar duurzaam werk.
Verschillende maatschappelijke organisaties (scholen, gemeenten en doorstroompunt) krijgen een wettelijke verplichting jongeren met (lichte) arbeidsondersteuning te helpen een baan te vinden en te houden. Dit schema heeft alleen betrekking op jongeren met een startkwalificatie (mbo 2-diploma). Het schema is ook bedoeld voor jongeren met een mbo 3- of mbo 4-diploma, die vanwege persoonlijke individuele omstandigheden kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt. Kwetsbaarheid kan bestaan uit een legio van omstandigheden, bijvoorbeeld: verslavingsproblematiek, depressie, laag zelfbeeld, tienerouderschap, neurodiversiteit, financiële problemen, beperkte Nederlandse taalvaardigheid of een instabiele thuissituatie. Het kan voor hen niet alleen moeilijk zijn een baan te vinden, maar ook moeilijker zijn een baan te behouden.
Geen vervolgonderwijs
Het gaat in alle gevallen om gediplomeerden die geen inschrijving hebben voor vervolgonderwijs.
Doorstroompunt
Het Doorstroompunt heeft géén rol in de begeleiding bij jongeren die hun startkwalificatie al hebben gehaald. Voor diplomering heeft het Doorstroompunt wel een rol bij verzuim of als er zorg is over deze studenten. Voor diplomering kan de school overleggen met het Doorstroompunt, indien er meer nodig is om een diploma te kunnen behalen.
Vrijwillig
Loopbaanbegeleiding in welke vorm dan ook is voor een jongere die ouder is dan 18 jaar altijd vrijwillig. Als de jongere geen uitkering met daarmee gepaarde verplichtingen heeft, zijn er geen dwingende mogelijkheden de jongere toch in zijn/haar loopbaan te begeleiden. Het is dan de eigen keuze van de jongere het aanbod voor loopbaanbegeleiding/nazorg wel of niet aan te nemen.
De wet schetst geen resultaatverplichting, maar alleen een inspanningsverplichting waarbij proactief een individueel aanbod voor loopbaanondersteuning of nazorg gedaan moet worden door de organisatie die de regie heeft.
Stap 1: Tijdens school
Begeleiding richting duurzaam werk begint al tijdens school en op dit moment is de school ook verantwoordelijk voor eventuele studie- en loopbaanbegeleiding. Jongeren die binnen enkele maanden naar verwachting hun mbo 2-diploma (of kwetsbare jongeren met een mbo 3- of mbo 4-diploma) zullen halen, krijgen door hun mbo-school een toekomstgesprek aangeboden. Daarin wordt individueel met de jongere gekeken hoe die straks richting duurzaam werk begeleid kan worden.
Bij sommige jongeren is bij school bekend dat de jongere structureel begeleiding nodig zal hebben op de werkplek. Of bijvoorbeeld dat de jongere nooit zelfstandig het minimumloon zal kunnen verdienen. Of er is bekend dat de jongere niet zelfstandig genoeg is om zelf te gaan solliciteren of zich goed voor te bereiden op een sollicitatie. In deze gevallen kan school al contact opnemen met de gemeente nog voordat de jongere het diploma heeft gehaald. Het resultaat hiervan kan zijn dat de gemeente samen met school, de jongere en eventueel de ouders in gesprek gaat. Bijvoorbeeld om toelichting te geven over loopbaaninstrumenten zoals jobcoaching, het doelgroepenregister of (empowerment)trainingen. School kan met het Doorstroompunt (al aanwezig op school) overleggen als er twijfel is over deze vroegtijdige doorverwijzing.
Stap 2: Jongere heeft het mbo 2-diploma gehaald en gaat de arbeidsmarkt op
Nadat de jongere het mbo 2-diploma heeft gehaald, ligt de regie over de loopbaanbegeleiding voor de jongere nog steeds bij school. De regie blijft gedurende een jaar na diplomering bij school liggen in de vorm van nazorgplicht, behalve als er sprake is van een bijzondere situatie (zie hieronder). Die nazorgplicht van scholen bestaat uit lichte vormen van loopbaanondersteuning: cv opstellen, zoeken naar vacatures, beroepskeuzetesten, voorbereiding op een sollicitatiegesprek. De nazorgplicht kan ook bestaan uit monitoring en lichte begeleiding bieden bij een jongere of werkgever van een jongere op het moment dat de jongere werk heeft gevonden.
Bijzondere situaties
Situatie 1: Tijdens school of vlak na diplomering is gebleken dat de jongere extra begeleiding nodig heeft met zwaardere loopbaaninstrumenten die (alleen) de gemeente kan bieden (doelgroepregister, jobcoach, loonkostensubsidie)
In de ideale situatie is er al voor diplomering contact geweest tussen de gemeente en school over het arbeidsperspectief van deze jongere. Als de school heeft vastgesteld dat de jongeren een zwaardere nazorg/loopbaanbegeleiding nodig heeft dan de school kan bieden, of als loopbaaninstrumenten van de gemeente nodig zijn, neemt school contact op met de gemeente. De school kan de gemeente dan vragen de regie over de begeleiding van de jongeren op zich te nemen. Dat gebeurt door middel van een overgangsdocument (zie hieronder) en altijd met toestemming van de jongere zelf. In dit geval houdt de nazorgplicht van de school op en gaat de nazorgplicht over naar de individuele gemeente waar de jongere woont.
Situatie 2: Jongere komt in beeld bij andere instantie
Het kan zo zijn dat een jongere tot maximaal 1 jaar na diplomering in beeld komt bij een andere instantie. Bijvoorbeeld omdat de jongere een uitkering heeft aangevraagd en toegekend heeft gekregen bij de gemeente of het UWV. De wettelijk verplichte ondersteuning vanuit school houdt dan niet automatisch op. Soms vindt de jongere de begeleiding vanuit school juist heel fijn. Als er sprake is van een uitkering, is het belangrijk dat er overleg is tussen de school en de uitkerende instantie over het vervolg. Het resultaat hiervan kan zijn dat de uitkerende instantie de begeleiding volledig op zich neemt, maar dat hoeft niet per se het beste te zijn in de individuele situatie. Belangrijk is dat begeleiding vanuit school altijd een vrijwillig karakter heeft en nooit onderdeel is van de voorwaarden van de uitkerende instantie.
Situatie 3: Jongere wordt 27 binnen 1 jaar na diplomering
Als de jongere 27 jaar is geworden, houdt de nazorgplicht van de mbo-school op. In dat geval wordt de jongere verwezen naar reguliere dienstverlening.
Stap 3: Jongere heeft een jaar na diplomering nog steeds geen baan gevonden en nog geen uitzicht op werk
Het is gebruikelijk dat jongeren een maand na diplomering nog geen werk hebben gevonden. Dat is ook niet erg. Het is belangrijk een balans te vinden tussen de jongere de tijd te gunnen zelf aan de slag te gaan en in deze periode ondersteuning naar duurzaam werk te bieden als jongeren hierom vragen. Als jongeren echter 9 maanden na diplomering nog steeds niet aan het werk zijn, kan het zijn dat er omstandigheden zijn die hen belemmeren werk te vinden of te houden. De nazorgplicht van school houdt 1 jaar na diplomering op. In dit geval zoekt de school afstemming met de gemeente waar de jongere woont om een warme overdracht naar de gemeente voor te bereiden. Ook hiervoor wordt gebruikgemaakt van het overgangsdocument (zie hieronder). Het resultaat hiervan is dat de gemeente de loopbaanbegeleiding overneemt en dat de nazorgplicht voor de school ophoudt.
Praktische uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk
In de uitvoering van de Wet van school naar duurzaam werk streven we zo veel mogelijk naar uniformiteit, in ieder geval tussen de gemeenten binnen vsv-regio Zuid-Holland Noord. Onder deze regio vallen de volgende gemeenten: Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest, Zoeterwoude, Voorschoten, Katwijk, Noordwijk, Hillegom, Lisse, Teylingen, Kaag en Braassem.
Contactmogelijkheden
Afgesproken is dat de aanmeldingen vanuit school in het kader van deze wet terechtkomen bij de 3 subregionale instanties: DZB voor Leidse Regio (in samenwerking met Jongerenteam Leiden), Provalu voor de Kust-, Duin- en Bollenstreek en Jongerenteam Alphen voor de gemeente Kaag en Braassem.
- Aanmeldingen vanuit scholen vanuit hun nazorgplicht voor Leiden, Leiderdorp, Oegstgeest en Zoeterwoude via het e-mailadres aanmeldingen@dzb.nl. DZB pakt de eerste aanmeldingen samen met jongerenteam Leiden op.
- Aanmeldingen vanuit scholen vanuit hun nazorgplicht voor Noordwijk, Katwijk, Hillegom, Lisse en Teylingen bij het jongerenpunt Provalu via info@jongerenpuntkdb.nl
- Aanmeldingen vanuit scholen vanuit hun nazorgplicht voor Kaag en Braassem bij Jongeren Informatiepunt Alphen via jip@alphenaandenrijn.nl.
- Met de gemeente Voorschoten worden nog specifieke afspraken gemaakt.
Vanuit de wet van school naar duurzaam werk volgt dat het Doorstroompunt een rol heeft om jongeren zonder startkwalificatie te helpen richting een startkwalificatie dan wel geschikte werkplek.
Mbo 2-gediplomeerden hebben een startkwalificatie en vallen daarmee niet onder verantwoordelijkheid van het Doorstroompunt. Wel heeft het Doorstroompunt voor mbo 2 een overlegfunctie: het Doorstroompunt is al aanwezig op de school en kan eventueel adviseren over aanmelding bij de gemeente aan de scholen.
Overgangsdocument
Op het moment dat de regie over de loopbaanbegeleiding van een jongere overgedragen wordt van school naar de gemeente, gebruikt school hiervoor een overgangsdocument. Een jongere wordt alleen overgedragen als hij/zij hier zelf toestemming voor geeft. Het wetsvoorstel bepaalt dat het overgangsdocument hetzelfde moet zijn in de hele vsv-regio. Het overgangsdocument heeft verschillende doelen. Allereerst is het overgangsdocument belangrijk om basale informatie over de jongere zoals contactgegevens, naam, adres, stage-ervaring, werkervaring en de betrokken begeleider op school door te geven. Maar het overgangsdocument is ook bedoeld om de talenten, positieve eigenschappen en ondersteuningsbehoefte van de jongeren in beeld te hebben. Zo hoeft de jongere dit niet zelf tijdens een gesprek met de gemeente opnieuw te vertellen. School vult het overgangsdocument samen met de jongere in.
Privacy
De wet schetst de mogelijkheid de gegevens van jongeren op hoofdlijnen uit te wisselen tussen de verschillende instanties. Door middel van het overgangsdocument geeft de jongere toestemming zijn/haar gegevens te delen met de gemeente.
Bijlage 7 Het overgangsdocument versie 20251203
Bijlage 8 De aangepaste participatiewet artikel 7a
Nieuwe verantwoordelijkheid gemeenten
In het kader van de nieuwe wet Van School naar Duurzaam Werk en het nieuwe artikel 7, eerste lid onder, a van de Participatiewet worden de gemeenten verantwoordelijk voor de individuele ondersteuning aan jongeren richting onderwijs of duurzaam werk en ontvangen zij hier vanaf 2026 ook structurele financiële middelen voor. Het betreft dan ondersteuning die meer is dan lichte ondersteuning. Te denken valt aan ondersteuning op de werkplek zelf, trainingen, of loonkostensubsidie. Deze verantwoordelijkheid is niet nieuw, maar zal door de nieuwe werkwijze vanuit Van School naar Duurzaam Werk gaan om iets grotere aantallen en proactieve aanmelding door scholen van onder andere niet-uitkeringsgerechtigde jongeren. Gemeenten worden wettelijk verplicht de individuele ondersteuning aan jongeren richting duurzaam werk vast te leggen in een verordening. Onderstaand de stand van zaken rond deze verordening op 3 december 2025. Deze informatie wordt nog aangevuld.
Subregio Leidse Regio
In subregio Leidse Regio kiezen de betrokken gemeenten ervoor de werkwijze voort te zetten in het kader van de aanpak jeugdwerkloosheid om jongeren individuele ondersteuning richting duurzaam werk te bieden. De individuele gemeenten zeggen hun financiële middelen vanuit artikel 7, eerste lid onder a, van de Participatiewet toe aan DZB (50%) en Jongerenteam Leiden (50%). Het gaat voor 2026 om de volgende bedragen; Leiden: €55.536, Leiderdorp: €12.450, Oegstgeest: €7.508 en Zoeterwoude €3.952. Het is de intentie deze financiële middelen in ieder geval tot en met 2030 (eind van het regionaal programma 2026) op deze wijze te bundelen en in te blijven zetten voor de individuele ondersteuning aan jongeren richting duurzaam werk. Eventueel kan op basis van ervaringen in 2026 worden bijgestuurd voor de komende jaren of kan de individuele ondersteuning aan jongeren richting duurzaam werk op andere wijze worden ingericht.
De subregio heeft concrete afspraken gemaakt over de besteding van deze gelden met DZB en Jongerenteam Leiden.
Subregio kust-, duin- en bollenstreek
In subregio Kust, Duin- en Bollenstreek kiezen de betrokken gemeenten ervoor de werkwijze voort te zetten in het kader van de aanpak jeugdwerkloosheid om jongeren individuele ondersteuning richting duurzaam werk te bieden. De individuele gemeenten zeggen hun financiële middelen vanuit artikel 7a participatiewet daarom toe aan het jongerenpunt van Provalu. Het gaat voor 2026 om de volgende bedragen; Katwijk: €39.017, Noordwijk: €17.505, Hillegom: €12.032, Lisse: €12.521 en Teylingen: €17.924. Het is de intentie deze financiële middelen in ieder geval tot en met 2030 (eind van het regionaal programma 2026) op deze wijze te bundelen en in te blijven zetten voor de individuele ondersteuning aan jongeren richting duurzaam werk, maar op basis van ervaringen in 2026 kan worden bijgestuurd voor de komende jaren of kan de individuele ondersteuning aan jongeren richting duurzaam werk op andere wijze worden ingericht. De subregio maakt ambtelijk afspraken met Provalu om de inhoud van de individuele ondersteuning aan jongeren richting duurzaam werk vast te leggen.
In het kader van de wet van School naar Duurzaam Werk worden de financiële middelen voortkomend uit artikel 7a van de participatiewet, bedoeld voor individuele ondersteuning aan jongeren richting duurzaam werk, toegekend aan ontwikkelbedrijf Provalu. Door Provalu worden de eerste gesprekken (triage) gehouden die nodig zijn om de jongeren die aangemeld vanuit de nazorgtaak van de scholen de juiste ondersteuning te kunnen bieden. De afspraak is dat de triage gedaan wordt vanuit de financiële middelen behorend bij artikel 7a van de participatiewet.
Voorschoten
Met de gemeente Voorschoten is nog overleg over deze ondersteuning vanuit de gemeenten. Deze informatie wordt nog toegevoegd.
Kaag en Braassem
De begeleiding van jongeren uit de gemeenten Kaag en Braassem wordt in dit kader belegd bij de gemeente Alphen aan den Rijn. Deze informatie wordt nog toegevoegd.





